Zij die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening op wettige wijze een inrichting exploiteren, als bedoeld in artikel 1. lid 1 van de wet, worden geacht voor deze inrichting een ontheffing ingevolge artikel 8, lid 1, te hebben verkregen, voor de geldigheidsduur van de hun op grond van de wet verleende vergunning, met dien verstande, dat op dat tijdstip
krachtens de Drank- en Horecaverordening van 1988 geldende exploitatiebeperkingen gehandhaafd blijven.