Uitgangspunt van de verordening is dat in principe voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening (afstandsgrens), dat is gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen te worden vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van minder dan drie kilometer aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van de verordening voorziet in een dergelijke voorziening.
Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school die dichterbij is gelegen dan drie kilometer, dan kunnen ouders toch in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).
Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te betrekken.
In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer. Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college toestemming moet geven voor het eigen vervoer.
Artikel 20
Bekostiging vervoerskosten
Onderdeel van Verordening leerlingenvervoer gemeente Enschede 2013