Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, anders dan bedoeld in artikel 9, wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging:
vastgesteld op honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand voor zover het een beroep op bijstand betreft waarvoor belanghebbende verwijtbaar geen daadwerkelijk beroep meer kan doen op een voorliggende voorziening.
bij onverantwoord interen op in aanmerking te nemen vermogen, vastgesteld op twintig procent van de bijstandsnorm gedurende de periode, dat belanghebbende, bij verantwoord interen op in aanmerking te nemen vermogen, geen beroep had hoeven doen op bijstand.
vastgesteld op vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand, indien belanghebbende de hem opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet niet nakomt.
Het vierde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.
De duur van de verlaging, als bedoeld in het tweede lid, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van het tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan een dergelijke verwijtbare gedraging.
Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging, als bedoeld in het tweede lid, binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van het tweede lid, stemt het college de hoogte en de duur van de verlaging, onverminderd artikel 2, tweede lid, individueel vast.
Hoofdstuk
Artikel 10.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening 2012 Aalsmeer