Een (plaatsvervangend) lid van de commissie kan door de raad uit zijn
functie ontslagen worden of op non-actief gesteld:
op eigen verzoek;
als het lid een functie aanvaardt bedoeld in lid 2 van dit artikel
of in artikel 81f van de wet;
als de rechter het lid veroordeelt voor een misdrijf of een
maatregel oplegt tot vrijheidsbeneming;
als de rechter het lid onder curatele stelt, failliet verklaart,
surseance van betaling verleent of vanwege schulden gijzelt;
als het lid naar het oordeel van de raad ernstig nadeel toebrengt
aan het in hem gestelde vertrouwen;
als het lid door ziekte, gebreken of ongeschiktheid niet in staat is
zijn functie naar behoren te vervullen.