Jaarlijks vóór 1 mei stuurt de commissie – na overleg met de
werkgroep – aan de raad een voorstel met onderwerpen die mogelijk voor
onderzoek in aanmerking komen.
Als de raad dat wenst, licht de commissie het voorstel mondeling toe
in de betreffende raadscommissie.
De te onderzoeken onderwerpen sluiten zo veel mogelijk aan bij de
voorkeuren van de deelnemende gemeenteraden.
De raad kan zijn gevoelens over de in het voorstel genoemde
onderwerpen kenbaar maken en suggesties toevoegen binnen twee maanden na
ontvangst van het voorstel.
De commissie bepaalt vervolgens zo spoedig mogelijk beargumenteerd
de definitieve onderwerpen die ze gaat onderzoeken. De commissie
omschrijft of en zo ja in welke mate de in lid 4 bedoelde gevoelens en
suggesties van de raad aanleiding hebben gegeven het voorstel te
wijzigen.
De commissie informeert de raad – via de werkgroep – over de
definitieve onderzoeksonderwerpen.
De raad kan de commissie vragen een extra onderzoek uit te voeren.
De commissie bericht de raad binnen een maand in hoeverre zij aan dat
verzoek voldoet. Als de commissie niet aan het verzoek voldoet, zal zij
daarvoor goede redenen aanvoeren. Over extra onderzoeken maken commissie
en raad aparte afspraken.
De commissie kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de
door haarzelf bepaalde onderzoeksonderwerpen.