Ontheffing voor overschrijdingen van de
achtergevelrooilijn.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
achtergevelrooilijn voor:
buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
veeteelt, pluimveeteelt, daaronder begrepen, waarvan
de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
minder van 20 meter bedraagt;
binnen de bebouwde kom gelegen kassen;
vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;
gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover
elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een
weg en een openbaar water, aan een weg en een
spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
terrein slechts aan een van die zijden mag worden
bebouwd;
gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en
2.5.4, is verzekerd;
bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij
woningen, anders dan bedoeld in 2.5.13 sub f, met
dien verstande dat:
bij bouwpercelen tot 1000 m2: per woning aan
bijgebouwen achter de achtergevelrooilijn niet
meer dan 60 m2 wordt gebouwd, mits het bouwperceel
blijft voldoen aan het bepaalde in 2.5.15. De maat
van 60 m2 (40%) mag – t.b.v. mantelzorg – tot 80
m2 worden opgetrokken. In dat geval dient – in
plaats van het bepaalde in 2.5.15 – tenminste 15
m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het
bouwperceel aanwezig te blijven;
bij bouwpercelen tussen 1000 m2 en 2000 m2:
per woning aan bijgebouwen achter de
achtergevelrooilijn niet meer dan 80 m2 mag worden
gebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan
het bepaalde in 2.5.15. De maat van 80 m2 mag – in
bijzondere gevallen – worden opgetrokken tot 100
m2 t.b.v. woonvertrekken (woon-/eetkamer, keuken,
badkamer, slaapkamer); in dat geval dient – in
plaats van het bepaalde in 2.5.15 – tenminste 15
m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het
bouwperceel aanwezig te blijven;
bij bouwpercelen groter dan 2000 m2: per
woning aan bijgebouwen achter de
achtergevelrooilijn niet meer dan 100 m2 mag
worden gebouwd, mits het bouwperceel blijft
voldoen aan het bepaalde in 2.5.15;
bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van
4,5 meter zonder afschuiningshoek;
gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
overwegend handels- of industrieterrein
omvattend;
bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw
zijnde;
ondergrondse bouwwerken, zoals kelders,
kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de
hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing
van de bouw;
erkers bijgebouwen (waaronder aan- of uitbouwen) bij
andere gebouwen dan woningen (niet zijnde
dienstwoningen), anders dan bedoeld in 2.5.13 sub f
met dien verstande dat:
het achter de achtergevelrooilijn gelegen
gedeelte van het bouwperceel geheel mag worden
bebouwd, mits het bouwperceel blijft voldoen aan
het bepaalde in artikel 2.5.16;
bijgebouwen met een maximale bouwhoogte van
6.00 meter zonder afschuiningshoek mogen worden
gerealiseerd.
trappenhuizen buitentrappen en liftschachten,
hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en
veranda's alsmede andere luifels, afdaken,
dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel
2.5.13;
bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in
de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
zulks niet bezwaarlijk is om de in
historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
omgeving;
bebouwing in meerdere bouwlagen in de strook van 5
meter langs de zijdelingse perceelsgrens tot een
bebouwingsdiepte van maximaal 15 meter met
inachtneming van het bepaalde in de artikelen
2.5.20., 2.5.23 en 2.5.24;
antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
lid, onder e en f, van het Besluit bouwwerken.
Indien toepassing wordt gegeven aan het gegeven aan het
gestelde in artikel 2.5.14, lid 1, sub m is de volgende
procedure van toepassing:
de aanvraag ligt gedurende twee weken ter
inzage;
voorafgaande aan de terinzagelegging wordt in een of
meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis
gegeven van de aanvraag;
gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen
belanghebbenden schriftelijk hun zienswijzen omtrent
de aanvraag inbrengen;
indien er zienswijzen zijn ingebracht kunnen
burgemeester en wethouders de beslissing over de
aanvraag om een reguliere bouwvergunning met ten
hoogste 6 weken verdagen.