Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 5.

Artikel 2.5.21.

Artikel 2.5.21.

Onderdeel van Bouwverordening

Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn. De maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk bedraagt: indien gelegen aan één van de volgende wegen: Besterdring Bisschop Zwijsenstraat Bosscheweg tussen de Ringbaan-Oost en de Hoevense Kanaaldijk/Lovense Kanaaldijk Broekhovenseweg ten noorden van de Ringbaan-Zuid Korvelplein Korvelseweg Laarstraat Lieve Vrouweplein Molenstraat Oude Goirleseweg Piusstraat Rosmolenplein Spoorlaan Van Meterenstraat Veldhovenring Wilhelminapark Zomerstraat in het vlak door de achtergevelrooilijn: 1 meter vermeerderd met de helft van de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok met een maximum van 15 meter met dien verstande dat: de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de zijdelingse perceelsscheiding niet meer mag bedragen dan de toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn overeenkomstig artikel 2.5.20 ; deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen: indien gelegen aan één van de volgende wegen: Enschotestraat Gasthuisring Groenstraat Groeseindstraat Hoefstraat Koestraat Nieuwe Bosscheweg Oerlesestraat St. Josephstraat Tivolistraat Transvaalplein Voltstraat Winkler Prinsstraat in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter vermeerderd met de helft van de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok met een maximum van 11 meter met dien verstande dat: de bouwhoogte in een strook ter breedte van 5 meter langs de zijdelingse perceelsscheiding niet meer mag bedragen dan de toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn overeenkomstig artikel 2.5.20 ; deze hoogte tenminste 10 meter mag bedragen: in het vlak door de achtergevelrooilijn gelegen achter de voorgevelrooilijn van de overige niet genoemde wegen: 1 meter vermeerderd met de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok met een maximum van 10 meter. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel