Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7a.

Artikel 7a.4.

Artikel 7a.4.

Onderdeel van Bouwverordening

Algemene bouwtechnische- en brandveiligheidsvoorschriften. Een verblijfsgebouw moet tenminste voldoen aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit voor bestaande bouw met een woonfunctie. Als brandcompartiment worden aangemerkt: het totale gebouw; een of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen vluchtweg voert, met een totaal gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2. Als subbrandcompartiment wordt aangemerkt: een verblijfseenheid; een keuken, zijnde een besloten verblijfsruimte. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen brandcompartimenten moet tenminste 60 minuten zijn. De WBDBO tussen sub-brandcompartimenten moet tenminste 20 minuten zijn. De WBDBO tussen de sub-brandcompartimenten en de vluchtweg moet tenminste 20 minuten zijn. De WBDBO tussen een subrandcompartiment en de vluchtweg, mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 7a.4, lid 3, minder dan 20 minuten zijn, indien een voorziening aangebracht wordt die naar het oordeel van burgemeester en wethouders een mate van veiligheid biedt die tenminste gelijk is aan de mate van veiligheid die beoogd is met het voorschrift in genoemd lid 3. In afwijking van voorgaande lid, moet de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen de sub-brandcompartimenten en de vluchtweg tenminste 30 minuten zijn, indien een vloer van een sub-brandcompartiment boven een hoogte van 7 meter gelegen is en indien, na inwerkingtreden van de bepalingen van dit hoofdstuk, bouwkundige voorzieningen zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van het verblijfsgebouw door een groter aantal bewoners dan voordat deze voorzieningen zijn aangebracht. Vanuit een subbrandcompartiment dient tenminste over twee onafhankelijke vluchtwegen gevlucht te kunnen worden. Indien een subbrandcompatiment echter een vloer heeft beneden 7 meter boven peil, dan kan volstaan worden met een vluchtweg en een vluchtmogelijkheid vanuit dat subbrandcompartiment. Onder vluchtmogelijkheid wordt hier tevens begrepen een beweegbaar constructieonderdeel, waarvan de onderzijde niet hoger is gelegen dan 1 m boven de vloer van de verblijfsruimte en waarmee een opening kan worden bewerkstelligd waarvan de afmetingen in horizontale richting ten minste 0,5 m en in verticale richting tenminste 0,8 m zijn. Het college van burgemeester en wethouders kan van de eis van twee onafhankelijke vluchtwegen voor een subbrandcompartiment met een vloer boven 7 meter boven peil ontheffing verlenen, indien bij elk subbrandcompartiment in het verblijfsgebouw tenminste een vluchtweg aanwezig is en een voorziening is aangebracht die een mate van veiligheid biedt die zoveel mogelijk gelijkwaardig is aan de mate van veiligheid die beoogd wordt met een tweede vluchtweg. Het college van burgemeester en wethouders kan, indien de situatie van een verblijfsgebouw met het oog op de veiligheid van de bewoners en op de brandbestrijding daartoe aanleiding geeft, nadere eisen stellen, onder andere met betrekking tot de aanwezigheid en uitvoering van: vluchtwegen casu quo vluchtmogelijkheden; kleine blusmiddelen, in de vorm van slanghaspels en/of draagbare blustoestellen; een interne alarmering, gestuurd door automatische melders en/of handmelders; een doormeldsysteem van een interne alarmering, die een rechtstreekse verbinding heeft naar de alarmcentrale van de Gemeenschappelijke Meldkamer voor de regio Midden- en West-Brabant van de middels een door de Gemeenschappelijke Meldkamer voor de regio Midden- en West-Brabant toegepast meldsysteem; een transparant- en/of noodverlichtingsinstallatie in de vluchtwegen. Indien burgemeester en wethouders een nadere eis stellen, als genoemd in het vorige lid, schrijven zij daarbij voor dat de exploitant periodiek door een terzake deskundige een onderhoudscontrole en zonodig reparatie laat verrichten met betrekking tot de voorzieningen die zij als nadere eis gesteld hebben. Zij kunnen daarbij voorschrijven dat de exploitant de controle, het resultaat daarvan en de eventuele reparatie moet kunnen aantonen door middel van een schriftelijke verklaring van de hiervoor genoemde terzake deskundige. In een besloten verkeersruimte en in vluchtwegen moet een verlichtingsinstallatie aanwezig zijn die een verlichtingssterkte van 10 lux, over de gehele oppervlakte gemeten op vloerniveau, kan geven. In of nabij het verblijfsgebouw mogen zich geen stoffen bevinden die in de Regeling Bouwbesluit materialen zijn omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij brand gevaar opleverend. Dit verbod geldt niet voor het voorhanden hebben voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik van de in voorgaande zin bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 aangegeven maximumhoeveelheden niet overschrijdt. De eigenaar is verplicht er op toe te zien, dat de aanwezige vluchtwegen van elke belemmering worden vrijgehouden. De eigenaar is verplicht, op aanvraag van de afdeling Handhaving van de dienst Gebiedsontwikkeling, een goedkeuringsrapport ten aanzien van de elektrische installatie en/of van de gasinstallatie, afgegeven door een terzake deskundig bedrijf, over te leggen. Het college van burgemeester en wethouders kan, indien onzekerheid bestaat of de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van de scheiding tussen brandcompartimenten onderling of van de scheiding tussen subbrandcompartimenten en een vluchtweg voldoet aan de normen, als nadere eis stellen dat de exploitant c.q. de eigenaar door een terzake deskundig bedrijf met een rapport laat aantonen welke WBDBO de scheiding heeft. In een verblijfseenheid mogen in verband met de brandveiligheid geen apparaten aanwezig zijn met een vermogen van meer dan 1000 Watt, die zichzelf niet na enkele minuten afschakelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel