1.
Burgemeester en wethouders maken jaarlijks hun voornemens bekend met betrekking tot de wijze waarop in het komende jaar uitvoering zal worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV.
2.
Burgemeester en wethouders doen jaarlijks verslag aan de gemeenteraad van de wijze waarop in het voorgaande jaar uitvoering is gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV, alsmede van het door hen gevoerde beleid bij de uitvoering van die hoofdstukken. Burgemeester en wethouders zenden gelijktijdig met de aanbieding van het verslag aan de gemeenteraad een afschrift ervan aan de inspecteur.
Op grond van lid 1 van dit artikel wordt het voornemen bij de uitvoering van de handhaving geregeld. Lid 2 regelt de verslaglegging aan de gemeenteraad, waarbij tevens het gevoerde beleid bij de uitvoering van de regelgeving expliciet zal moeten worden gemaakt. Zo zal, als onderdeel daarvan, dus ook moeten worden aangegeven hoe er omgegaan wordt met het toetsen van aanvragen en als vervolg daarop; het toezicht op de bouw.
Dat het de wetgever ernst is dat de gemeenten verantwoord omgaan met deze bouwregelgeving komt tot uitdrukking in het nieuwe artikel 100b: