In dit artikel worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd die met betrekking tottreasury relevant zijn.
Algemene begrippen treasury
De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.
Het treasurybeleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie. Het beleid wordt vastgelegd in een treasurystatuut.
Het treasurybeheer is de (beleids)uitvoering van de treasuryfunctie, binnen de kaders van het treasurystatuut. De beleidsuitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen. De beleidsplannen en de realisatie daarvan komen aan de orde in de paragraaf financiering van achtereenvolgens de programmabegroting en de programmarekening.
In dit statuut wordt verstaan onder:
Commercial paper Vastrentende waarden met een looptijd van maximaal 2 jaardie tussentijds verhandelbaar zijn;
Certificates of deposite Kortlopende vordering met een vaste rente en een vastelooptijd, waarbij de vordering tussentijds verhandelbaar is door de certificaathouder.
Daggeld Ook wel callgeld genoemd, staat voor een opgenomen of uitgezette lening voor onbepaalde tijd die dagelijks gewijzigd kan worden.
Derivaten Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren;
EER Europese Economische Ruimte, bestaat uit de 27 lidstaten van de Europese Unie en de drie lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie, te weten Noorwegen, IJsland en Liechtenstein;
Financiële onderneming Een onderneming die in een lidstaat het bedrijf vankredietstelling mag uitoefenen, beleggingsdiensten magverlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten vandeelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen;
Financiering Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen;
Garantieproduct Mix tussen een obligatielening en aandelen die voor lange termijn wordt afgesloten met de garantie van de hoofdsom;
Geldstromenbeheer Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);
Intern liquiditeitsrisico De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financieringskosten hoger kunnen uitvallen;
IJkrente Uitgangspunt voor de marktrente in de berekening van de omvang van de rente-egalisatie reserve.
Kasgeldlening Niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en een vaste periode (maximaal 2 jaar) en tegen een vast rentepercentage.
Kasgeldlimiet Een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar;
Koersrisico Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen;
Kredietrisico De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie of deficit;
Kredietwaardigheid de mate waarin een organisatie economisch sterk genoeg is om een krediet te kunnen krijgen;
Lidstaat Staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
Liquiditeitenbeheer Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;
Liquiditeitenplanning Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid;
Medium Term Notes Vastrentende waarden met een looptijd van tussen de 2 en 10 jaar, die tussentijds verhandelbaar zijn;
Nettingovereenkomst Een overeenkomst op grond waarvan de wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij verschuldigd is;
Onderhandse geldlening Leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij worden vastgesteld;
Prudent karakter Wanneer in ieder geval aan twee aspecten is voldaan, te weten voldoende kredietwaardigheid van de tegenpartij en een beperkt marktrisico;
Rating Taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau;
Rente-egalisatie reserve Een reserve met als doel de gevolgen voor de begroting van fluctuaties in de marktrente te beperken. Bij een lagere marktrente dan de ijkrente wordt aan de reserve toegevoegd en bij een hogere marktrente dan de ijkrente wordt aan de reserve onttrokken;
Renterisico Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen;
Renterisiconorm Een bij de aanvang van enig jaar op basis van de Wet Fido gefixeerd percentage;
Rentetypische looptijd Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;
Rentevisie Toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling;
Ruddo Ministeriële Regeling Uitzettingen en derivaten voor decentrale overheden;
Saldobeheer Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen en van het kasgeld;
Solvabiliteitsratio 0% Status die door een bancaire toezichthouder in een EU-lidstaat (bijv. De Nederlandse Bank) aan het schuldpapier van een onderneming kan worden toegekend. Deze status houdt in dat een bank voor desbetreffende papier geen reserves (0%) hoeft aan te houden en wordt onder meer toegekend aan papier uitgegeven of gegarandeerd door (centrale) overheden. Het is de gemeente daarbij toegestaan om bij andere overheden geld uit te zetten, of om te beleggen in papier waaraan een overheidsgarantie is verbonden.
Uitzetting Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.
Vaste geldlening Een (relatief standaard) lening die kan worden afgesloten bij een financiële onderneming.