Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Uitvoeringsregels Aansluitverordening riolering

Uitvoeringshandelingen door de vergunninghouder/rechthebbende 1.Indien de gemeente niet in staat wordt gesteld de aansluiting te controleren, wordt de aanvrager geacht zonder vergunning te hebben gehandeld en aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schades. 2.Indien door of in opdracht van de gemeente op particulier terrein een pompinstallatie, inspectieput of mini-zuivering (zogenaamde “IBA”) is geplaatst ten behoeve van de afvoer van afval- of regenwater dient de perceelseigenaar of gebruiker van het perceel deze installatie vrij toegankelijk te houden. Dit houdt onder andere in: de pompinstallatie mag niet worden ingebouwd de pompinstallatie dient te allen tijden vrij toegankelijk te zijn de deksels van inspectie- of pompputten dienen te allen tijden zichtbaar in het maaiveld te liggen. Indien door of in opdracht van de gemeente op particulier terrein een open voorziening (greppel etc.) voor de afvoer/doorvoer en/of behandeling van regenwater is aangebracht dient de perceelseigenaar of gebruiker van het perceel deze voorziening intact te laten en vrij toegankelijk te houden. 4.Bij ophogingen van particulier terrein waarin zich inspectie- en/of pompputten en/of een open voorziening voor de afvoer/doorvoer en/of behandeling van regenwater bevinden dient de vergunninghouder of rechthebbende dit minimaal 4 weken voor aanvang van de ophogingswerkzaamheden bij de gemeente te melden. De gemeente verzorgt de aanpassingen aan de inspectie- of pompputten en/of open voorziening. Indien de ophogingen het openbaar riool constructief overbelasten kan toestemming tot ophoging geweigerd worden. De kostenverdeling voor deze aanpassingen zijn voor rekening van de rechthebbende zoals omschreven in artikel 9.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel