Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 13

Nadere verplichtingen tijdens bijstandsverlening

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2013

1.. Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet of in onvoldoende mate worden nagekomen wordt een verlaging toegepast van 20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand. 2.. In afwijking van het eerste lid wordt, indien en zolang een belanghebbende niet aan de verplichting tot het vorderen van alimentatie voor zichzelf of minderjarige kind(eren) heeft voldaan, waardoor de belanghebbende of het gezin niet beschikt over voldoende middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en mede als gevolg daarvan een bijstandsuitkering is toegekend, de bijstand op deze gedraging afgestemd. 3.. In afwijking van het eerste lid wordt, indien er sprake is van woonkosten boven de maximale huurtoeslag en belanghebbende in onvoldoende mate heeft voldaan aan de opgelegde bijzondere voorwaarde om, in financieel opzicht, naar passende woonruimte te zoeken en deze te accepteren, de tegemoetkoming in de woonkosten verlaagd. 4.. De verlaging van lid 2 en 3 wordt op de volgende wijze vastgesteld: 20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien de periode waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting korter is dan 3 maanden; 50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien de periode, waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting 3 tot 6 maanden bedraagt; 100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, indien de periode, waarin door belanghebbende geen actie is ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere verplichting langer is dan 6 maanden.

Rechtspraak bij dit artikel