**1..** Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld
in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet of in
onvoldoende mate worden nagekomen wordt een verlaging toegepast van
20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand.
**2..** In afwijking van het eerste lid wordt, indien en zolang een
belanghebbende niet aan de verplichting tot het vorderen van
alimentatie voor zichzelf of minderjarige kind(eren) heeft voldaan,
waardoor de belanghebbende of het gezin niet beschikt over voldoende
middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en mede als
gevolg daarvan een bijstandsuitkering is toegekend, de bijstand op
deze gedraging afgestemd.
**3..** In afwijking van het eerste lid wordt, indien er sprake is van
woonkosten boven de maximale huurtoeslag en belanghebbende in
onvoldoende mate heeft voldaan aan de opgelegde bijzondere
voorwaarde om, in financieel opzicht, naar passende woonruimte te
zoeken en deze te accepteren, de tegemoetkoming in de woonkosten
verlaagd.
**4..** De verlaging van lid 2 en 3 wordt op de volgende wijze
vastgesteld:
20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien
de periode waarin door belanghebbende geen actie is
ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
verplichting korter is dan 3 maanden;
50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand indien
de periode, waarin door belanghebbende geen actie is
ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
verplichting 3 tot 6 maanden bedraagt;
100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand, indien
de periode, waarin door belanghebbende geen actie is
ondernomen naar aanleiding van de opgelegde bijzondere
verplichting langer is dan 6 maanden.
Hoofdstuk 4
Artikel 13
Nadere verplichtingen tijdens bijstandsverlening
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB 2013