Naar hoofdinhoud
Lid 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend of degene die op grond van deze of een hieraan voorafgaande verordening een voorziening is toegekend of bij gebruikelijke zorg diens relevante huisgenoten: op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. Lid 2. Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien: het college voor het bepalen van de aard en omvang van de voorziening de medische noodzaak wil vaststellen; de aanvraag kennelijk om medische redenen zal worden afgewezen. Lid 3. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: het handelt om een aanvraag van een persoon die eerder een voorziening heeft gehad maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden; het college dat overigens gewenst vindt.

Rechtspraak bij dit artikel