De GPK moet bij gebruik goed zichtbaar achter de voorruit van het motorvoertuig geplaatst worden. Op grond van het bepaalde in artikel 50 BABW mag de houder van een GPK daarvan geen gebruik laten maken indien het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met het vervoer van hemzelf of bewoners van de instelling aan wie de kaart is verstrekt. Laat de houder van een GPK dit gebruik wel toe, dan kan de kaart ongeldig worden verklaard door het gezag dat de GPK heeft afgegeven (artikel 53, derde lid BABW).
Hoofdstuk 2
Artikel 2.8
Gebruiksvoorschrift
Onderdeel van Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten & Gehandicaptenparkeerplaatsen 2009