De geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart is op grond van het bepaalde in artikel 51, eerste lid BABW in beginsel vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dagtekening van de beschikking. Indien daartoe redelijke grond bestaat, kan de geldigheidsduur van de kaart worden beperkt, met een minimum geldigheidsduur van zes maanden. Daarnaast kan de geldigheidsduur worden beperkt tot de geldigheidsduur van het rijbewijs (bij personen van 70 jaar en ouder). Verlenging vindt plaats op basis van de oorspronkelijke dagtekening van de beschikking en het volmaken van de resterende duur tot maximaal vijf jaar. Voor deze verlenging worden geen leges geheven (zie 2.14).
Het recht op de kaart vervalt wanneer de beperking geen aanleiding meer vormt voor het bezit van een kaart of bij overlijden. De houder van de GPK of rechtsopvolgers onder algemene titel hebben de verplichting om dit zo spoedig mogelijk te melden aan de gemeente.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.9
Geldigheidsduur
Onderdeel van Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten & Gehandicaptenparkeerplaatsen 2009