1. Recht op wezenpensioen hebben:
a. de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of als
gewezen of gepensioneerde wethouder, die de leeftijd van
eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn
of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij zijn
geweest bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd
voor zijn aftreden is ingegaan of in de periode waarin hij recht
heeft op uitkering ter zake van het aftreden.
b. de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke
wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder ten tijde van
zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem
bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend,
onder dezelfde voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en
c. de kinderen voor welke de wethouder, gewezen of
gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn overlijden de
pleegouderlijke zorg droeg, onder dezelfde voorwaarden als
genoemd in onderdeel a, met dien verstande dat in plaats van het
tijdstip van geboorte of adoptie het tijdstip van aanvang van de
pleegouderlijke zorg in aanmerking wordt genomen.
2. Artikel 24, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het eerste
lid.
3. Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder
c, wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
daarvoor.
Afdeling 2 › Hoofdstuk 3 › Paragraaf 1
Artikel 26
Wezenpensioen
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders