1. Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van
het pensioen, waarop de overledene als gewezen wethouder
aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na
die van zijn overlijden was afgetreden, of waarop de overledene
als gewezen wethouder recht of uitzicht had.
2. In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
nabestaande van hem die overlijdt:
a. als wethouder voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar:
vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop de wethouder
aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij het wethouderschap
tot het bereiken van evengenoemde leeftijd zou hebben
bekleed;
b. als gewezen wethouder in de periode waarin hij recht op
uitkering heeft: vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop
de gewezen wethouder aanspraak zou hebben kunnen maken, indien
hij tot bereiken van de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering
zou hebben gehad, met dien verstande dat voor de berekening van
het pensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van
meetelling van diensttijd op de dag van overlijden.
3. Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande
recht ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen krachtens of
op voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt
op grond van artikel 145, lid 4, van deze wet tijd, die voor de
berekening van meer dan een van die pensioenen meetelt en niet
daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het
pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.
4. Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien
van het eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede, derde en
vierde lid, daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend
met de franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onder
a.
Afdeling 2 › Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 28
Berekening van het nabestaandenpensioen
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders