1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam
gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn
pensioen over een tijdvak van twee maanden
(nabestaandenuitkering).
Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene niet
duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve
van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de
overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten
tijde van het overlijden pleegouderlijke zorg droeg. Onder
pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud
en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten
van een vergoeding daarvoor.
2 Indien de overledene gepensioneerde geen betrekkingen als
bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag
geheel of ten dele worden uitgekeerd voor betaling van de kosten
van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de
nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend
is.
3 Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van
vermissing van een gepensioneerde wethouder.
4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen
verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na
toepassing van hoofdstuk V.
Afdeling 2 › Hoofdstuk 6 › Paragraaf 3
Artikel 66
Nabestaandenuitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders