Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Belastingtarieven

Onderdeel van Verordening rioolrecht 2009

Algemeen Op 1 januari 1990 is in werking getreden de Wet van 3 juli 1989 (Stb. 1989, 302) tot wijziging van de gemeentewet op het stuk der belastingen (limitering onroerendgoedbelastingen, leges en rechten). Deze wet had tot gevolg dat vanaf 1 januari 1990 een verordening rioolrechten niet werd goedgekeurd indien de geraamde baten van die rechten uitgingen boven de geraamde gemeentelijke lasten ter zake. Het maken van een matige winst was en is daarmee niet langer toegestaan. Dit is geregeld in artikel 229b van de Gemeentewet. Tot 1 januari 1994 gold een overgangsregeling. Vanaf die datum mag de verordening rioolrechten maximaal kostendekkend zijn. Deze kostendekking wordt jaarlijks getoetst. Een systematiek waarbij eerdere lagere tarieven in latere jaren worden gecompenseerd kan dan ook leiden tot latere, meer dan kostendekkende tarieven. Ten behoeve van de tariefstelling dienen de kosten van de riolering te worden geïnventariseerd. Deze kosten kunnen in twee hoofdgroepen worden onderscheiden, te weten de investeringskosten en de exploitatiekosten. De investeringskosten zijn, in tegenstelling tot de exploitatiekosten, geen jaarlijkse kosten. Onder de investeringskosten kunnen worden begrepen de aanlegkosten van de riolering in de ruimste zin des woords. Hiertoe behoren onder meer de aanschaffings- c. q. de voortbrengingskosten van de rioleringsbuizen, de pompen, de kosten van het vestigen van zakelijke rechten, de aanlegkosten waaronder begrepen de kosten van grondwerk en de kosten van het bedrijfsklaar maken. De met de investeringskosten verband houdende rentelasten kunnen eveneens in aanmerking worden genomen. Een eventuele opbrengst uit bijvoorbeeld een baatbelasting, dient op de investeringskosten in mindering te worden gebracht. Jaarlijks zal op de investeringskosten worden afgeschreven. Deze afschrijving kan plaatsvinden of wel op basis van historische kostprijs of wel op basis van de vervangingswaarde. Daarenboven kan het wenselijk zijn om bij afschrijving op basis van historische kostprijs rekening te houden met prijsveranderingen. Opgemerkt moet worden dat de investeringskosten van een rioleringsstelsel in eerste aanleg, veelal worden vergoed door de grondprijzen bij verkoop van de bouwrijpe kavels. Afschrijving vindt dan niet plaats. Wel verdient het dan aanbeveling een reserve te vormen voor de kosten van vervanging, die zich in enig later jaar zullen voordoen. Artikel 229b, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat onder de lasten mede worden verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa. De jaarlijkse exploitatiekosten worden gevormd door de kosten die verband houden met het gebruik van de riolering. Hiertoe behoren onder andere de kosten die verband houden met het onderhoud en schoonhouden van het rioleringsstelsel. Evenzeer kunnen hiertoe worden gerekend de kosten van de jaarlijkse lozingsvergunning indien de gemeente deze dient aan te vragen. Ten behoeve van het groot onderhoud van de riolering en de periodieke inspecties die daarvoor dienen te worden uitgevoerd, kan een onderhoudsvoorziening worden gevormd. De dotaties aan deze voorziening behoren tot de jaarlijkse exploitatiekosten. De kosten van het onderhoud en van de periodieke inspecties worden van deze voorziening afgeboekt op het moment dat zij tot daadwerkelijke uitgaven leiden. Voor uitbreidingsinvesteringen is reservevorming/- onttrekking, middels het rioolrecht, niet mogelijk. Deze kunnen door middel van afschrijving aan de onderscheiden jaren worden toegerekend. De kosten die verband houden met werkzaamheden die ten gevolge van de periodieke inspecties dienen te worden uitgevoerd, worden direct ten laste van het jaar gebracht waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het recht van de gebruiker is afhankelijk van de hoeveelheid afgevoerd afvalwater. Het recht wordt berekend per volle eenheid kubieke meters afvalwater, omwille van een eenvoudiger uitvoerbaarheid van de verordening. Het bedrag waarop de aanslag wordt vastgesteld wordt daarmee in feite door afronding bepaald. De hoeveelheid afgevoerd afvalwater is op grond van artikel 4 bepaald. Het tarief wordt afhankelijk van de geloosde hoeveelheid afvalwater opgebouwd. In de verordening is hiertoe een aantal schijven opgenomen. Per schijf wordt een ander tarief toegepast voor elke volle eenheid van een bepaald aantal kubieke meters afgevoerd afvalwater. De tariefopbouw is hierbij degressief van structuur, zodat voor de afvoer van grote hoeveelheden afvalwater een lager tarief per eenheid zal worden berekend. Door de schijven ruim te stellen wordt bereikt dat alleen voor de afvoer van grote of zeer grote hoeveelheden afvalwater een reductie op het tarief wordt verleend. De hier bedoelde reductie laat zich rechtvaardigen als een zogenaamde 'kwantumkorting'. De belastingplichtige geniet derhalve een reductie omdat hij veel afvalwater afvoert. Overigens kan in dit verband worden gewezen op een beslissing van het Hof 's-Hertogenbosch over de verordening rioolrechten van de gemeente Woensdrecht. Het tarief in de onderhavige verordening was degressief. De hoeveelheid werd vastgesteld aan de hand van een opgave van het waterleidingbedrijf over het voorgaande abonnementsjaar. Het Hof besliste hier dat de huidige gebruiker in de heffing kon worden betrokken met als maatstaf het gebruik van de vorige bewoner (Hof 's-Hertogenbosch 2 november 1974, nr. 298/1974, BNB 1975/219).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel