Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening rioolrecht 2009

Eerste lid Het recht van de gebruiker wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater. Hoe deze hoeveelheid wordt berekend is bepaald in het tweede lid van artikel 4. Niet alle eigendommen in de gemeente zijn individueel van een watermeter voorzien. Ten aanzien van deze eigendommen zal met aannames moeten worden gewerkt. Daarbij valt te denken aan een forfaitaire benadering. Er kan rekening worden gehouden met de aanwezigheid van een één- of meerpersoonshuishouden of andere differentiaties die een relatie met het verbruik hebben. Hof Den Bosch vond een forfait waarbij de niet bemeterde eigendommen een verbruiksklasse hoger ingedeeld werden dan ze gemiddeld verbruikten, leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing (Hof Den Bosch 3 februari 2004, nr. 96/01941, LJN: AQ4652). Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de gemeente het forfait wel in enige mate cijfermatig moet kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met het gemiddelde waterverbruik. Tweede lid en Derde lid In dit lid is een aantal mogelijkheden uitgewerkt waarin bepalingen zijn opgenomen ter berekening van de hoeveelheid afgevoerd afvalwater. Deze afgevoerde hoeveelheid afvalwater wordt gesteld op een percentage van de hoeveelheid water die in een bepaalde periode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. De hoeveelheid water wordt uitgedrukt in kubieke meters. Het begrip 'toevoeren' dient ruim te worden opgevat. Ook hemelwater valt onder dit begrip. Op grond van het 'Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) kunnen gemeenten de waterleidingbedrijven verplichten de waterverstrekkingsgegevens ter beschikking te stellen. Behalve door toevoer van water kan het eigendom ook van water worden voorzien door het oppompen van water. De hoeveelheid opgepompt water kan worden berekend aan de hand van de gegevens van de pompinstallatie, waarover in het derde lid nog een bepaling is opgenomen. Als periode waarover de hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water bepalend is voor de afgevoerde hoeveelheid afvalwater geldt de laatste verbruiksperiode, beoordeeld aan het begin van het belastingjaar. Er is tevens een herleidingsbepaling opgenomen. Deze bepaling dient er toe om vast te kunnen stellen hoeveel water naar een eigendom is toegevoerd of is opgepompt in een periode van twaalf maanden indien de verbruiksperiode van het waterleidingbedrijf niet gelijk is aan twaalf maanden. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een maand voor een volle maand gerekend. Een dergelijke bepaling werkt in het voordeel van de belastingplichtige. De noemer in de breuk is altijd één groter dan wanneer een gedeelte van een maand niet meegerekend zou worden. De teller in de breuk wordt bij de herleiding naar tijdsgelang gesteld op 12 (maanden). Voorbeeld: de verbruiksperiode van het waterleidingbedrijf is 14,5 maand. Deze periode wordt afgerond op 15 maanden omdat een gedeelte van een maand voor een volle maand wordt gerekend. De herleidingsformule luidt: 12:15 x afgenomen hoeveelheid water in de verbruiksperiode van 14,5 maand. De formule ziet er dan zo uit: afgenomen hoeveelheid water x 12 = herleide hoeveelheid 15 Vierde lid Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392), is degene die grondwater onttrekt verplicht de hoeveelheid onttrokken grondwater te meten en daarvan aantekening te houden. Daarmee is een deel van de hoeveelheid opgepompt water bekend en kunnen deze gegevens mede worden gebruikt voor de berekening van de hoeveelheid afgevoerd water. Tevens kan water worden opgepompt waarop of wel het bepaalde in artikel 11 van de Grondwaterwet niet van toepassing is (bijvoorbeeld bij het oppompen van oppervlaktewater), of wel de in dat artikel verplicht gestelde meting niet wordt uitgevoerd. In een dergelijke situatie kan de hoeveelheid opgepompt water worden berekend aan de hand van een watermeter of een bedrijfsurenteller. Indien de belastingplichtige niet al het toegevoerde of opgepompte water als afvalwater afvoert op de gemeentelijke riolering, dient de op andere wijze afgevoerde hoeveelheid in mindering gebracht te worden op de in het derde lid berekende hoeveelheid. Het gaat in dit artikellid om berekenbare hoeveelheden die op andere wijze worden afgevoerd. Hierbij kan het met name gaan om waterverwerkende industrieën (bierbrouwerij, limonadefabriek) of afvoer van water op niet openbaar gemeentewater. Tevens kan zich de situatie voordoen dat water wordt geïnfiltreerd. In dat geval geldt ook de verplichting dat deze hoeveelheid dient te worden gemeten en dat daarvan aantekening wordt gehouden (artikel 11, tweede lid, van de Grondwaterwet).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel