Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

Belastbaar feit

Onderdeel van Verordening Brandweerrechten 2009

Eerste lid In artikel 2 van de verordening zijn de belastbare feiten voor de brandweerrechten in algemene bewoordingen omschreven, waarbij aansluiting is gezocht bij de bewoordingen van artikel 229, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet (Stb. 1994, 762). In de tabel zijn de verschillende belastbare feiten nader geconcretiseerd. Eerste lid, onderdeel a De formulering van de belastbare feiten in de tarieventabel zou de indruk kunnen wekken dat uitsluitend rechten worden geheven ter zake van door de gemeentelijke brandweer verleende diensten. In nagenoeg alle gevallen is de aanhef immers 'Voor het in behandeling nemen van een aanvraag ... '. Toch blijft het van belang om als algemene basis voor de heffing van brandweerrechten aansluiting te zoeken bij zowel onderdeel a als onderdeel b van artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet. De algemene bepalingen staan niet in de weg aan de specifieke situatie dat een gemeente uitsluitend een recht kan heffen ter zake van het gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen van de brandweer. Voorts zou kunnen worden gezegd dat, ook al wordt het recht geheven ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag, toch het gebruiken van bezittingen, werken of inrichtingen van de gemeentelijke brandweer het resultaat is van het honoreren van de aanvraag. Het vormt daarmede een zo wezenlijk element van de verleende dienst, dat het gewenst is voor die gevallen de heffing mede te baseren op de bevoegdheid van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet. In geval een recht zou worden geheven ter zake van het gebruik van bezittingen, werken of inrichtingen van de gemeentelijke brandweer zal niet zo snel een geschil kunnen ontstaan over de vraag of al dan niet gebruik hiervan is gemaakt. Anders wordt het wanneer het activiteiten van de gemeentelijke brandweer betreft en er in dat geval sprake is van een dienst in de zin van de verordening dan wel van artikel 229 van de Gemeentewet. Eerste lid, onderdeel b De vraag of er sprake is van een dienst is in een aantal procedures aan de orde geweest. Deze procedures hebben er echter niet toe geleid dat voor alle mogelijke gevallen exact kan worden gezegd of zij al dan niet een dienst zijn waarvoor heffing van rechten is toegelaten. Wel werd in deze procedures een aantal criteria geformuleerd aan de hand waarvan kan worden geconstateerd wanneer er in ieder geval geen sprake is van een dienst. Een bepaalde handeling of activiteit van een gemeente is in ieder geval geen dienst indien de gemeente die de handeling verricht een verplichting schept voor degene tot wie de handeling is gericht. Dit kan worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1987, nr. 24 893, BNB 1988/117, Belastingblad 1988, blz. 65 ('s-Gravenhage). In deze procedure was in geschil de vraag of de gemeente 's-Gravenhage leges kon heffen ter zake van een aanschrijving tot woningverbetering. De Hoge Raad overwoog dat het Hof met juistheid had aangenomen dat voor legesheffing, evenals voor de rechten van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, de voorwaarde moet worden gesteld dat sprake is van door of vanwege het gemeentebestuur verleende diensten. Voorts concludeerde de Hoge Raad dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat bij een aanschrijving tot woningverbetering die nodig is om de verplichting van degene tot wie zij is gericht te doen ontstaan, niet kan worden gesproken van het verlenen van een dienst aan de betrokkene. De Hoge Raad baseert zijn oordeel uitsluitend op het feit dat eerst de betreffende handeling de verplichting doet ontstaan bij degene tot wie de aanschrijving is gericht. Het Hof noemde in zijn overwegingen duidelijk twee argumenten. Naast de overweging dat de verplichting eerst ontstaat op het moment van het ontvangen van de aanschrijving noemde het Hof nog dat het college van burgemeester en wethouders handelde ingevolge een door de wet aan het college opgelegde verplichting. In dat opzicht lijken de overwegingen van de Hoge Raad af te wijken van die van het Hof, nu de Hoge Raad geen beroep doet op de overweging dat verzending van aanschrijvingen geschiedt ter uitvoering van een wettelijk opgelegde verplichting. De Hoge Raad acht het feit dat diensten worden verleend ter uitvoering van een wettelijke verplichting blijkbaar niet mede bepalend. Het lijkt dat de Hoge Raad hiermee aansluit bij de conclusie van de advocaat-generaal mr. Moltmaker. Ook bij het uitschakelen door de brandweer van het alarmsignaal van een alarminstallatie oordeelde de belastingrechter dat er geen sprake was van een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet (Hoge Raad 15 juli 1986, nr. 23 910, BNB 1986/267, Belastingblad 1986, blz. 586). De Hoge Raad overwoog dat van een dienst in de zin van de verordening brandweerrechten van de gemeente Amsterdam in verbinding met artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet geen sprake is indien voor de gemeente kenbaar is dat de belanghebbende de prestatie niet wenst. Voor het Hof was komen vast te staan dat belanghebbende adressen had opgegeven bij de politie in de redelijke verwachting dat dit voor de gemeente kenbaar was. Het hof overwoog dat uit de feiten is gebleken dat belanghebbende door het opgeven van adressen in redelijke verwachting mocht aannemen dat in geval van alarm de opgegeven adressen zouden worden gewaarschuwd. Daaruit volgt, aldus het Hof, dat belanghebbende van de brandweer juist niet de dienst verlangde of verwachtte bestaande uit het uitschakelen van de alarminstallatie. Toen dan ook ten gevolge van een inbraak de alarminstallatie in werking trad en de brandweer deze installatie uitschakelde zonder de daarvoor opgegeven adressen te waarschuwen kon ter zake van dat uitschakelen geen rechten aan belanghebbende in rekening worden gebracht. In het geval van een aanschrijving die leidt tot een verplichting bij de aangeschrevenen en bij het verlenen van ongevraagde diensten heeft de Hoge Raad dus duidelijk aangegeven dat er geen sprake is van een dienst. Ter zake daarvan is heffing van rechten dan ook uitgesloten. Voor de vraag wanneer er wel van een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet kan worden gesproken, verwijst de advocaat-generaal Moltmaker in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1987 (leges 's-Gravenhage) naar het spraakgebruik. Men dient iemand als men beoogt zijn individuele belang te bevorderen. Alle activiteiten van een gemeente waarbij wordt beoogd het individuele belang van een van de burgers te bevorderen kunnen in principe worden aangemerkt als diensten ter zake waarvan heffing van rechten mogelijk is. Daarnaast wijst Moltmaker erop dat deze omschrijving ook weer niet te ruim mag worden uitgelegd. Heffing van onroerende-zaakbelastingen en het opmaken van een proces-verbaal ter zake van een verkeersovertreding hebben uiteindelijk tot doel ook dat belang van die individuele burger te dienen. Naar zijn mening is echter heffing van rechten ter zake van die activiteiten uitgesloten. Ook uit de jurisprudentie blijkt wanneer er sprake is van een dienst ter zake waarvan een recht kan worden geheven. Zo overwoog het Hof in de hiervoor besproken arrest inzake de brandweerrechten Amsterdam dat er eerst sprake kan zijn van diensten waarvoor heffing mogelijk is, indien kan worden verondersteld dat wegens de verlening en aanvaarding van de dienst tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Voor dit laatste is een door de gebruiker van de dienst verleende opdracht daartoe of een uitdrukkelijke bereidverklaring tot aanvaarding van de dienst niet nodig. Een dienst is ook een feitelijk als zodanig aanvaarde dienst. Voorts betreft dat het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 1974, nr. 1 7 233, BNB 1974/57 inzake keurloon. In deze procedure overwoog het Hof dat indien de rijkswetgever aan de burger verplichtingen oplegt die moeten worden nagekomen als gevolg van een door die burger vrijwillig in het leven geroepen situatie, en vervolgens die rijkswetgever de gemeenten opdraagt of overlaat een apparaat in het leven te roepen, dat het die burger mogelijk maakt bedoelde verplichtingen na te komen, de gemeente door het doen functioneren van genoemd apparaat de burger diensten verleent. Tweede lid Artikel 2, tweede lid, van de verordening is opgenomen in overeenstemming met artikel 1, vierde en zesde lid, van de Brandweerwet 1985. In het arrest van de Hoge Raad van 11 december 1992, Jurisprudentie Gemeenten, nr. 4/1993, Rechtspraak van de Week 1993, nr. 6 (Vlissingen-Rize) heeft de Hoge Raad duidelijk uitgesproken dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de in de Brandweerwet 1985 vervatte taken van de gemeentelijke brandweer kosteloos te doen verrichten. Een publiekrechtelijke heffing ter zake van die taken is niet mogelijk. De Hoge Raad leidt de bedoelingen van de wetgever onder andere af uit de wetsgeschiedenis en verwijst daarbij naar de circulaire van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 19 augustus 1985, nr. FB85/U647. In deze circulaire is aangegeven dat heffing van rechten voor taken die rechtstreeks verband houden met de hulpverlening niet is toegelaten. Nu de Hoge Raad zich zo duidelijk uitspreekt over alle in de Brandweerwet 1985 opgedragen taken is voor de gekozen formulering aansluiting gezocht bij de redactie van artikel 1 van de Brandweerwet 1985. Zie hieromtrent eveneens het algemene deel van deze toelichting. Van de in de tabel opgenomen belastbare feiten zullen er zeer veel zijn die zich kunnen voordoen in omstandigheden als opgesomd in artikel 2, tweede lid, van de verordening. Een ladderwagen kan worden ingezet bij brandbestrijding of bij een ongeval waarbij mensenlevens in gevaar zijn. Het is echter ook heel goed denkbaar dat de hulp van een ladderwagen wordt ingeroepen zonder dat er van dergelijke situaties sprake is. Hoewel het gaat om het inzetten van dezelfde ladderwagen zal het duidelijk zijn dat alleen in het laatste geval rechten ter zake kunnen worden geheven. Door het opnemen van de brandweertaken, waarbij heffing van rechten is uitgesloten, zal in geval van verschil van mening uiteindelijk de rechter in belastingzaken kunnen oordelen en beslissen. In een civiele procedure bepaalde de kantonrechter dat de gemeente de kosten van de brandweer mocht verhalen die verband hielden met het verwijderen van olie op het wegdek. De rechter concludeerde dat het hier niet gaat om kosten die voortvloeien uit een wettelijke taak van de brandweer inzake het opheffen van een acute gevaarssituatie, maar door de brandweer geboden hulp in een minder gevaarvolle situatie (Kantongerecht Delft, 2 november 1995, nr. 95/869). Indien naast een algemeen belang ook een persoonlijk belang in de werkzaamheden kan worden onderscheiden, kunnen brandweerrechten alleen worden geheven indien de werkzaamheden niet alleen liggen buiten het gebied van brand- en rampenbestrijding alsmede van beperking en bestrijding van gevaar voor mens en dier bij ongevallen, maar bovendien rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (Hoge Raad, 7 mei 1997, nr. 31 845, BNB 1997/208 (Amsterdam)).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel