Eerste lid
In artikel 2 van de verordening zijn de belastbare feiten voor de brandweerrechten in algemene bewoordingen omschreven, waarbij aansluiting is gezocht bij de bewoordingen van artikel 229, eerste lid, onderdelen a en b, van de Gemeentewet (Stb. 1994, 762). In de tabel zijn de verschillende belastbare feiten nader geconcretiseerd.
Eerste lid, onderdeel a
De formulering van de belastbare feiten in de tarieventabel zou de indruk kunnen wekken dat
uitsluitend rechten worden geheven ter zake van door de gemeentelijke brandweer verleende
diensten. In nagenoeg alle gevallen is de aanhef immers 'Voor het in behandeling nemen van
een aanvraag ... '. Toch blijft het van belang om als algemene basis voor de heffing van
brandweerrechten aansluiting te zoeken bij zowel onderdeel a als onderdeel b van artikel
229, eerste lid, van de Gemeentewet. De algemene bepalingen staan niet in de weg aan de
specifieke situatie dat een gemeente uitsluitend een recht kan heffen ter zake van het gebruik
van bezittingen, werken of inrichtingen van de brandweer. Voorts zou kunnen worden
gezegd dat, ook al wordt het recht geheven ter zake van het in behandeling nemen van een
aanvraag, toch het gebruiken van bezittingen, werken of inrichtingen van de gemeentelijke
brandweer het resultaat is van het honoreren van de aanvraag. Het vormt daarmede een zo
wezenlijk element van de verleende dienst, dat het gewenst is voor die gevallen de heffing
mede te baseren op de bevoegdheid van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de
Gemeentewet. In geval een recht zou worden geheven ter zake van het gebruik van
bezittingen, werken of inrichtingen van de gemeentelijke brandweer zal niet zo snel een
geschil kunnen ontstaan over de vraag of al dan niet gebruik hiervan is gemaakt. Anders
wordt het wanneer het activiteiten van de gemeentelijke brandweer betreft en er in dat geval
sprake is van een dienst in de zin van de verordening dan wel van artikel 229 van de
Gemeentewet.
Eerste lid, onderdeel b
De vraag of er sprake is van een dienst is in een aantal procedures aan de orde geweest. Deze
procedures hebben er echter niet toe geleid dat voor alle mogelijke gevallen exact kan
worden gezegd of zij al dan niet een dienst zijn waarvoor heffing van rechten is toegelaten.
Wel werd in deze procedures een aantal criteria geformuleerd aan de hand waarvan kan
worden geconstateerd wanneer er in ieder geval geen sprake is van een dienst. Een bepaalde
handeling of activiteit van een gemeente is in ieder geval geen dienst indien de gemeente die
de handeling verricht een verplichting schept voor degene tot wie de handeling is gericht. Dit
kan worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 9 december 1987, nr. 24 893, BNB
1988/117, Belastingblad 1988, blz. 65 ('s-Gravenhage). In deze procedure was in geschil de
vraag of de gemeente 's-Gravenhage leges kon heffen ter zake van een aanschrijving tot
woningverbetering. De Hoge Raad overwoog dat het Hof met juistheid had aangenomen dat
voor legesheffing, evenals voor de rechten van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet, de voorwaarde moet worden gesteld dat sprake is van door of vanwege het
gemeentebestuur verleende diensten. Voorts concludeerde de Hoge Raad dat het Hof terecht
heeft geoordeeld dat bij een aanschrijving tot woningverbetering die nodig is om de
verplichting van degene tot wie zij is gericht te doen ontstaan, niet kan worden gesproken
van het verlenen van een dienst aan de betrokkene. De Hoge Raad baseert zijn oordeel
uitsluitend op het feit dat eerst de betreffende handeling de verplichting doet ontstaan bij
degene tot wie de aanschrijving is gericht. Het Hof noemde in zijn overwegingen duidelijk
twee argumenten. Naast de overweging dat de verplichting eerst ontstaat op het moment van
het ontvangen van de aanschrijving noemde het Hof nog dat het college van burgemeester en
wethouders handelde ingevolge een door de wet aan het college opgelegde verplichting. In
dat opzicht lijken de overwegingen van de Hoge Raad af te wijken van die van het Hof, nu
de Hoge Raad geen beroep doet op de overweging dat verzending van aanschrijvingen
geschiedt ter uitvoering van een wettelijk opgelegde verplichting. De Hoge Raad acht het feit
dat diensten worden verleend ter uitvoering van een wettelijke verplichting blijkbaar niet
mede bepalend. Het lijkt dat de Hoge Raad hiermee aansluit bij de conclusie van de
advocaat-generaal mr. Moltmaker. Ook bij het uitschakelen door de brandweer van het
alarmsignaal van een alarminstallatie oordeelde de belastingrechter dat er geen sprake was
van een dienst in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet (Hoge
Raad 15 juli 1986, nr. 23 910, BNB 1986/267, Belastingblad 1986, blz. 586). De Hoge Raad
overwoog dat van een dienst in de zin van de verordening brandweerrechten van de
gemeente Amsterdam in verbinding met artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet geen sprake is indien voor de gemeente kenbaar is dat de belanghebbende de
prestatie niet wenst. Voor het Hof was komen vast te staan dat belanghebbende adressen had
opgegeven bij de politie in de redelijke verwachting dat dit voor de gemeente kenbaar was.
Het hof overwoog dat uit de feiten is gebleken dat belanghebbende door het opgeven van
adressen in redelijke verwachting mocht aannemen dat in geval van alarm de opgegeven
adressen zouden worden gewaarschuwd. Daaruit volgt, aldus het Hof, dat belanghebbende
van de brandweer juist niet de dienst verlangde of verwachtte bestaande uit het uitschakelen
van de alarminstallatie. Toen dan ook ten gevolge van een inbraak de alarminstallatie in
werking trad en de brandweer deze installatie uitschakelde zonder de daarvoor opgegeven
adressen te waarschuwen kon ter zake van dat uitschakelen geen rechten aan belanghebbende
in rekening worden gebracht. In het geval van een aanschrijving die leidt tot een verplichting
bij de aangeschrevenen en bij het verlenen van ongevraagde diensten heeft de Hoge Raad
dus duidelijk aangegeven dat er geen sprake is van een dienst. Ter zake daarvan is heffing
van rechten dan ook uitgesloten. Voor de vraag wanneer er wel van een dienst in de zin van
artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet kan worden gesproken, verwijst de
advocaat-generaal Moltmaker in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 9
december 1987 (leges 's-Gravenhage) naar het spraakgebruik. Men dient iemand als men
beoogt zijn individuele belang te bevorderen. Alle activiteiten van een gemeente waarbij
wordt beoogd het individuele belang van een van de burgers te bevorderen kunnen in
principe worden aangemerkt als diensten ter zake waarvan heffing van rechten mogelijk is.
Daarnaast wijst Moltmaker erop dat deze omschrijving ook weer niet te ruim mag worden
uitgelegd. Heffing van onroerende-zaakbelastingen en het opmaken van een proces-verbaal
ter zake van een verkeersovertreding hebben uiteindelijk tot doel ook dat belang van die
individuele burger te dienen. Naar zijn mening is echter heffing van rechten ter zake van die
activiteiten uitgesloten. Ook uit de jurisprudentie blijkt wanneer er sprake is van een dienst
ter zake waarvan een recht kan worden geheven. Zo overwoog het Hof in de hiervoor
besproken arrest inzake de brandweerrechten Amsterdam dat er eerst sprake kan zijn van
diensten waarvoor heffing mogelijk is, indien kan worden verondersteld dat wegens de
verlening en aanvaarding van de dienst tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Voor
dit laatste is een door de gebruiker van de dienst verleende opdracht daartoe of een
uitdrukkelijke bereidverklaring tot aanvaarding van de dienst niet nodig. Een dienst is ook
een feitelijk als zodanig aanvaarde dienst. Voorts betreft dat het arrest van de Hoge Raad van
30 januari 1974, nr. 1 7 233, BNB 1974/57 inzake keurloon. In deze procedure overwoog het
Hof dat indien de rijkswetgever aan de burger verplichtingen oplegt die moeten worden
nagekomen als gevolg van een door die burger vrijwillig in het leven geroepen situatie, en
vervolgens die rijkswetgever de gemeenten opdraagt of overlaat een apparaat in het leven te
roepen, dat het die burger mogelijk maakt bedoelde verplichtingen na te komen, de gemeente
door het doen functioneren van genoemd apparaat de burger diensten verleent.
Tweede lid
Artikel 2, tweede lid, van de verordening is opgenomen in overeenstemming met artikel 1,
vierde en zesde lid, van de Brandweerwet 1985. In het arrest van de Hoge Raad van 11
december 1992, Jurisprudentie Gemeenten, nr. 4/1993, Rechtspraak van de Week 1993, nr. 6
(Vlissingen-Rize) heeft de Hoge Raad duidelijk uitgesproken dat het de bedoeling van de
wetgever is geweest om de in de Brandweerwet 1985 vervatte taken van de gemeentelijke
brandweer kosteloos te doen verrichten. Een publiekrechtelijke heffing ter zake van die taken
is niet mogelijk. De Hoge Raad leidt de bedoelingen van de wetgever onder andere af uit de
wetsgeschiedenis en verwijst daarbij naar de circulaire van de staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken van 19 augustus 1985, nr. FB85/U647. In deze circulaire is aangegeven
dat heffing van rechten voor taken die rechtstreeks verband houden met de hulpverlening
niet is toegelaten. Nu de Hoge Raad zich zo duidelijk uitspreekt over alle in de
Brandweerwet 1985 opgedragen taken is voor de gekozen formulering aansluiting gezocht
bij de redactie van artikel 1 van de Brandweerwet 1985. Zie hieromtrent eveneens het
algemene deel van deze toelichting. Van de in de tabel opgenomen belastbare feiten zullen er
zeer veel zijn die zich kunnen voordoen in omstandigheden als opgesomd in artikel 2,
tweede lid, van de verordening. Een ladderwagen kan worden ingezet bij brandbestrijding of
bij een ongeval waarbij mensenlevens in gevaar zijn. Het is echter ook heel goed denkbaar
dat de hulp van een ladderwagen wordt ingeroepen zonder dat er van dergelijke situaties
sprake is. Hoewel het gaat om het inzetten van dezelfde ladderwagen zal het duidelijk zijn
dat alleen in het laatste geval rechten ter zake kunnen worden geheven. Door het opnemen
van de brandweertaken, waarbij heffing van rechten is uitgesloten, zal in geval van verschil
van mening uiteindelijk de rechter in belastingzaken kunnen oordelen en beslissen. In een
civiele procedure bepaalde de kantonrechter dat de gemeente de kosten van de brandweer
mocht verhalen die verband hielden met het verwijderen van olie op het wegdek. De rechter
concludeerde dat het hier niet gaat om kosten die voortvloeien uit een wettelijke taak van de
brandweer inzake het opheffen van een acute gevaarssituatie, maar door de brandweer
geboden hulp in een minder gevaarvolle situatie (Kantongerecht Delft, 2 november 1995, nr.
95/869). Indien naast een algemeen belang ook een persoonlijk belang in de werkzaamheden
kan worden onderscheiden, kunnen brandweerrechten alleen worden geheven indien de
werkzaamheden niet alleen liggen buiten het gebied van brand- en rampenbestrijding
alsmede van beperking en bestrijding van gevaar voor mens en dier bij ongevallen, maar
bovendien rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten
behoeve van een individualiseerbaar belang (Hoge Raad, 7 mei 1997, nr. 31 845, BNB
1997/208 (Amsterdam)).