Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de invordering van
gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en
de Invorderingswet 1990 van toepassing. De heffingsbevoegdheden komen toe aan de
daartoe aangewezen heffingsambtenaar en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe
aangewezen invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt toegekend
nadere regels te geven over bepaalde heffings- en invorderingsaangelegenheden. Voor de
gemeentelijke belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het
college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81 Algemene wet
bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet is het college eveneens bevoegd beslissingen van de raad (lees:
belastingverordeningen) uit te voeren. Met het oog hierop kan het college over
uitvoeringsaangelegenheden regels stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de
modellen voor het formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.
Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal
bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het college. In verband
hiermee is in elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere
regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de betreffende belasting.
Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en ander uitgewerkt.