Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Berekening van de precariobelasting

Onderdeel van Verordening precariobelasting 2009

In dit artikel is een aantal bepalingen opgenomen die de uitvoeringspraktijk vergemakkelijken. Eerste lid In het eerste lid wordt bepaald dat een gedeelte van een in de tarieventabel opgenomen lengte- of oppervlaktemaat voor een volle eenheid wordt aangemerkt. Voor gedeelten van de tijdseenheden dag, week, maand of jaar bevatten artikel 1, onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6, vijfde lid, en artikel 9, derde en vierde lid, een regeling. Tweede en derde lid In het tweede en derde lid worden nadere bepalingen gegeven voor die gevallen waarin een tarief per oppervlakte in de tarieventabel is opgenomen. Horizontale projectie van de voorwerpen betekent dat projectie van het voorwerp in een horizontaal vlak moet plaatsvinden en dat vervolgens van dat horizontale vlak de oppervlakte wordt bepaald. Bij andere dan rechthoekige voorwerpen kan het berekenen van de oppervlakte leiden tot ingewikkelde wiskundige berekeningen. In verband hiermee is in het derde lid bepaald dat dan de oppervlakte van een denkbeeldig om het voorwerp geplaatste rechthoek in aanmerking wordt genomen. Horizontale projectie vindt niet plaats indien in de verordening of tarieventabel anders is bepaald. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de frontoppervlakte maatstaf van heffing is. Vierde lid Aan het slot van de toelichting op artikel 2 en in de toelichting op artikel 3 is reeds aangegeven dat een gemeente bij de heffing van precariobelasting zal willen aankoppelen bij het bestand vergunningverlening voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De vergunning zal voor bepaalde of onbepaalde tijd zijn verleend. Uit doelmatigheidsoverwegingen wordt in het vierde lid bepaald dat voor de berekening van de precariobelasting ervan wordt uitgegaan dat de voorwerpen gedurende de gehele vergunningperiode worden gehouden. Ook hier is tegenbewijs mogelijk. De gemeente dient zich er wel van te vergewissen of ook daadwerkelijk voorwerpen aanwezig zijn. Het gaat bij de precariobelasting immers om de feitelijke en niet om de mogelijke aanwezigheid van de voorwerpen. Indien de voorwerpen niet de gehele vergunningperiode aanwezig zijn, wordt naar tijdsgelang geheven c.q. bestaat aanspraak op ontheffing. De artikelen 244 (ambtshalve) of 242 (op verzoek) van de Gemeentewet vinden toepassing. Als de geldigheidsduur van de vergunning kalenderjaaroverschrijdend is of als de vergunning voor onbepaalde tijd is verleend, het belastingtijdvak het kalenderjaar is (zie artikel 7, onderdeel a). Met behulp van het bepaalde in het vijfde lid en artikel 9, tweede en derde lid, kan de precariobelasting berekend worden. Vergelijk de uitspraak van Hof Arnhem van 11 februari 2004, nr. 02/01932, LJN: AO6963, Belastingblad 2004, blz. 531 (Kampen) en hetgeen wij hierover gesteld hebben aan het einde van de toelichting op artikel 2. Vijfde lid In de tarieventabel zijn voor eenzelfde belastbaar feit soms tarieven per dag, per week, per maand of per jaar opgenomen. Uit de verordening zal dan echter moeten blijken wanneer het jaar-, maand-, week of dagtarief wordt toegepast (Hof Amsterdam 29 maart 1985, nr. 2201/82 M IV, Belastingblad 1986, blz. 421, (Amsterdam). Gewenst is het jaartarief lager te stellen dan het overeenkomstige tarief voor de kortere perioden. Om die reden is het vijfde lid opgenomen. In het vijfde lid is aangegeven dat de precariobelasting wordt berekend op de voor de belastingplichtige in de verordening meest voordelige wijze. Zesde lid

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel