Het college kan op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet en artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW/IOAZ aan een uitkeringsgerechtigde opdragen om specifiek benoemde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, bedoeld als tegenprestatie voor de uitkering die hij ontvangt. Daarbij hoeft er geen koppeling te zijn met het doel de belanghebbende kennis en vaardigheden op te laten doen om de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.