Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen
voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat
rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat
betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte
woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende
situaties, zoals een woonboot of een woonwagen met vaste
standplaats en een woonbestemming wordt in principe
gesproken van woning.
Voorliggende woonvoorzieningen
In de verordening is aangegeven dat een algemene
woonvoorziening voorliggend is aan een individuele
woonvoorziening. Bij algemene woonvoorzieningen kan gedacht
worden aan eenvoudige woonvoorzieningen zoals beugels,
antislipvloer en het verwijderen van drempels via een
klussendienst. In principe is het de verantwoordelijkheid
van mensen zelf om tijdig de woning aan te passen als zij
door ouderdomsbeperkingen minder mobiel worden.
Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in
een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing.
Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële
consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een
woning beschikbaar komt (in verband met de medische
verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra
verhuizing ten aanzien van de belanghebbende en argumenten
op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zorgvuldige
afweging van alle argumenten wordt aan het besluit ten
grondslag gelegd. Wanneer de totale kosten voor aanpassingen
die de woning langdurig geschikt maken lager zijn dan het
bedrag genoemd in het Besluit voorzieningen Wmo gemeente
Waterland 2013 wordt het primaat van verhuizen niet
toegepast.
Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat
het college ook daarbij uit van de eigen
verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan
door zelf een woning te bouwen of te huren die op het
terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden
geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de
verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in
de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed
kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten
nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou
een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze
middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek
om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente
kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige
vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening.
Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat
er een aanbouw geplaatst wordt besluit het college vanwege
financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als
tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden,
zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen
woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest
het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan
voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit.
Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het
college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn
om uit oogpunt van kosten zelf in de compenserende
voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw
zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de
woning te vestigen zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken
worden.
Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de
situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college
allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van
de woning aan de orde komt.
Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het
college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo
nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden.
Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt als gevolg
van artikel 7 lid 2 Wmo door het college uitbetaald aan de
eigenaar van de woning, als financiële tegemoetkoming. De
beschikking wordt verstuurd aan de belanghebbende met een
afschrift aan de eigenaar.
Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het
college in natura en als persoonsgebonden budget worden
verstrekt aan de belanghebbende.
Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige
woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen
van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere
hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten
worden.
Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt
het college rekening met de mate waarin de verhuizing te
verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of
voorspelbare verhuizing wordt in principe geen
verhuiskostenvergoeding toegekend.
Als er door co-ouderschap sprake is van twee hoofdverblijven
voor een kind, dan kunnen de woonvoorzieningen in beide
ouderlijke woningen worden getroffen. De ouders zijn
verplicht om vooraf met de gemeente in overleg te treden om
gezamenlijk op zoek te gaan naar de goedkoopst-compenserende
oplossing.
Anti-speculatiebeding
De eigenaar-bewoner, die een financiële tegemoetkoming in de
kosten voor het treffen van een woonvoorziening heeft
ontvangen en die binnen een periode van vijf jaar na de
datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woning
verkoopt, is gehouden om binnen een week na het passeren van
de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te
stellen. De meerwaarde die door het treffen van de
voorziening is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente
te worden teruggestort. Door middel van dit
anti-speculatiebeding wordt voorkomen worden dat de
meerwaarde die het huis door de aanpassing heeft verkregen,
bij verkoop ten goede komt aan de belanghebbende/eigenaar.
Hoofdstuk 1. › Paragraaf 2.
Artikel 4.
Afwegingskader
Onderdeel van Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland,