Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1. › Paragraaf 2.

Artikel 4.

Afwegingskader

Onderdeel van Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland,

Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een woonboot of een woonwagen met vaste standplaats en een woonbestemming wordt in principe gesproken van woning. Voorliggende woonvoorzieningen In de verordening is aangegeven dat een algemene woonvoorziening voorliggend is aan een individuele woonvoorziening. Bij algemene woonvoorzieningen kan gedacht worden aan eenvoudige woonvoorzieningen zoals beugels, antislipvloer en het verwijderen van drempels via een klussendienst. In principe is het de verantwoordelijkheid van mensen zelf om tijdig de woning aan te passen als zij door ouderdomsbeperkingen minder mobiel worden. Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de belanghebbende en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zorgvuldige afweging van alle argumenten wordt aan het besluit ten grondslag gelegd. Wanneer de totale kosten voor aanpassingen die de woning langdurig geschikt maken lager zijn dan het bedrag genoemd in het Besluit voorzieningen Wmo gemeente Waterland 2013 wordt het primaat van verhuizen niet toegepast. Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(n) had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit. Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt als gevolg van artikel 7 lid 2 Wmo door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning, als financiële tegemoetkoming. De beschikking wordt verstuurd aan de belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de belanghebbende. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Als er door co-ouderschap sprake is van twee hoofdverblijven voor een kind, dan kunnen de woonvoorzieningen in beide ouderlijke woningen worden getroffen. De ouders zijn verplicht om vooraf met de gemeente in overleg te treden om gezamenlijk op zoek te gaan naar de goedkoopst-compenserende oplossing. Anti-speculatiebeding De eigenaar-bewoner, die een financiële tegemoetkoming in de kosten voor het treffen van een woonvoorziening heeft ontvangen en die binnen een periode van vijf jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden om binnen een week na het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De meerwaarde die door het treffen van de voorziening is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente te worden teruggestort. Door middel van dit anti-speculatiebeding wordt voorkomen worden dat de meerwaarde die het huis door de aanpassing heeft verkregen, bij verkoop ten goede komt aan de belanghebbende/eigenaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel