**1..** Ieder lid van de raad kan aan een raadslid, een wethouder, de
burgemeester, de secretaris of de griffier, als aangewezen door de
gemeenteraad tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar
lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op
grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, schriftelijke vragen
stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen,
vastgesteld in artikel 36, zijn van overeenkomstige toepassing.
**2..** Wanneer een lid van de raad de persoon als bedoeld in het eerste lid
ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren
als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels
voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 37, zijn
van overeenkomstige toepassing.
**3..** Over een voorstel tot ontslag van een door de raad aangewezen lid
van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
gemeenschappelijk orgaan, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet
beraadslaagd dan nadat in een vergadering, ten minste 14 dagen van
tevoren gehouden, is besloten te verklaren dat de betrokken persoon
niet meer het vertrouwen van de raad bezit als lid van het bedoelde
bestuur.
**4..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op personen die de
raad in andere organisaties heeft benoemd.
HOOFDSTUK VI
Artikel 40
Verslag; verantwoording
Onderdeel van Reglement van orde voor de raadsvergaderingen 2013