Gedragingen van belanghebbenden waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt behouden of één van de verplichting op grond van artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37 IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAW en artikel 38 IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën met bijbehorende maatregel:
1. Eerste categorie
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering verlaagd met 5% van de bijstand gedurende één maand:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand (trajectplan).
2. Tweede categorie
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering verlaagd met 10% van de bijstand gedurende één maand:
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;
het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, waaronder begrepen sociale (arbeids-) activering, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening.
3. Derde categorie
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering verlaagd met 20% van de bijstand gedurende één maand:
gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, waaronder begrepen sociale (arbeids-) activering, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening.
het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB, indien van toepassing.
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig (traineren) laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 WWB respectievelijk 38 lid 1 IOAW en artikel 38 lid 1 IOAZ.
het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB
In afwijking van artikel 8 lid 3, legt het college, indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW/IOAZ en de belemmerende gedragingen, zoals bedoeld in het derde lid onder a, dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit arbeid.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het derde lid van artikel 8 onder 2. binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
4. Vierde categorie
Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering verlaagd met 100% van de bijstand gedurende één maand:
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
het door eigen toedoen niet starten met een uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs.
onverminderd artikel 2, lid 2, legt het college, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, voor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:
aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
de hoogte van de maatregel als bedoeld in artikel 8 lid 4 onder d is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het vierde lid onder d binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Onverminderd artikel 2, tweede lid, legt het collegevoor onbepaalde duur een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.
de hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid.
het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het vierde lid onder 3. binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Hoofdstuk 2.
Artikel 8.
Indeling in categorieën
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Olst-Wijhe