a. Relatie met de omgeving
de kleinste bepalende eenheid van het gebied omvat op zichzelf staande gebouwen (zowel stolpboerderijen als minder typerende woningen) op een erf
woningen zijn uitsluitend in de eerste bebouwingslijn toegestaan
de hoofdrichting van de bebouwing dient in principe evenwijdig te zijn aan de zijdelingse perceelgrenzen
de rooilijnen dienen te verspringen
de bebouwing dient vrij op het erf te staan, enigszins teruggelegen van de straat
bedrijfsbebouwing dient dicht achter de bedrijfswoning geplaatst te worden
b. Massa en opbouw van het gebouw
maak duidelijk onderscheid in massa en vormgeving tussen hoofdgebouw en bijgebouwen
aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw
bijgebouwen dienen zich bij voorkeur achter het hoofdgebouw te bevinden
bijgebouwen dienen vrij te staan van de overige gebouwen
balkons zijn aan de voorzijde niet toegestaan
een wolfseind is niet toegestaan
gebouwen moeten in principe zijn voorzien van een zadeldakconstructie met een dakhelling van tenminste 45 graden; voor kleinschalige bijgebouwen kan een lessenaarsdak toegepast worden
agrarische gebouwen mogen een flauwere dakhelling krijgen, echter de dakhelling moet bij voorkeur tenminste 20 graden bedragen
c. Detaillering, materiaal en kleurgebruik
de elementen in de gevel (deuren, ramen etc) dienen in een consistente verhouding te staan tot elkaar en de gevel als geheel
de detaillering van hoofddrager en kozijnen dient sober en zorgvuldig te zijn
pas karakteristieke detaillering toe in dorpels, lateien, vensterbanken, goten, gootklossen, windveren e.d.
gebruik materiaal dat voor het gebied kenmerkend is, dus hout en steen voor de gevelvlakken; voor gevelvlakken van (agrarische)bedrijfsgebouwen kunnen ook metalen profielplaten worden toegepast
het gebruik van kunststof is niet toegestaan, tenzij sprake is van houtgelijkende materialen en detailleringen
geglazuurde dakpannen zijn niet toegestaan
metalen dakpan- c.q. golfplaten en kunststof dakranden zijn niet toegestaan, anders dan op c.q. bij bedrijfsruimten die achter het hoofdgebouw liggen en bij kleinschalige bijgebouwen; geen damwand profielplaten als dakbedekking toepassen alsmede bitumen voor hellende daken
gebruik donkere kleuren voor dakbedekking, metsel- en schilderwerk; witte steen als hoofddrager is niet toegestaan
balkon- en dakterrasafscheidingen dienen in principe van metaal te zijn met spijlen waardoor een grote openheid ontstaat; de kleur dient donker te zijn; het hekwerk dient ruim binnen de dakrand geplaatst te worden
oeverbeschoeiingen moeten worden uitgevoerd in hout of houtgelijkende materialen en dienen zo laag mogelijk te worden gehouden; aanwezige hoogteverschillen moeten met een natuurlijk talud worden opgevangen
Hoofdstuk 2 › § 2.2.
Artikel Gebiedsgerichte welstandscriteria Landelijk gebied
Artikel Gebiedsgerichte welstandscriteria Landelijk gebied
Onderdeel van Welstandsnota Waterland 2013