a. Dakopbouw uit de eerste bouwlaag
alleen aan de achterzijde en één volledige verdiepingshoogte
ter weerszijden van de dakopbouw moet minimaal 0,50 meter dakvlak aanwezig blijven; vanaf een kopgevel tenminste 1,50 meter vrijhouden
materiaal, kleurgebruik, detaillering en vormgeving identiek aan of reagerend op het oorspronkelijke bouwwerk
plat afgedekt en dichte zijwanden
b. Dakopbouw over de nok of met verlegde nok
een dakopbouw over de nok of met verlegde nok is alleen toegestaan bij een zadeldak dat evenwijdig aan de straat is gelegen
een dakopbouw over de nok is alleen toegestaan als het dak minder steil is dan 30 graden, omdat een dakopbouw anders te dominant is vanaf de weg
een dakopbouw met verlegde nok is alleen toegestaan als het dak minder steil is dan 50 graden
bij een dakopbouw met verlegde nok dient in principe het dakvlak in de straatgevel verlengd te worden
de hoogte van het kozijn van een dakopbouw moet in een goede relatie staan tot de hoogte van het beschikbare dakvlak en mag, buitenwerks gemeten, maximaal 1,25 meter bedragen
bij tussenwoningen loopt de dakopbouw in principe van bouwmuur tot bouwmuur
bij een dakopbouw over de nok op een kopwoning dient een minimale afstand van 1,50 meter tot aan de kopgevel aangehouden te worden
tussen de oorspronkelijke goot en de onderdorpel van de dakopbouw bij voorkeur vijf, maar tenminste drie rijen met dakpannen (á 30 centimeter) vrijhouden, dan wel een vergelijkbare maat
de hellingshoek van de dakopbouw gelijk aan die van het oorspronkelijke dak.
materiaal, kleurgebruik, detaillering en vormgeving identiek aan of reagerend op het oorspronkelijke bouwwerk
een dakopbouw heeft dichte zijwanden
Hoofdstuk 2 › § 2.3. Welstandscriteria voor specifieke bouwwerken
Artikel Objectgerichte welstandscriteria voor dakopbouwen
Artikel Objectgerichte welstandscriteria voor dakopbouwen
Onderdeel van De raad van de gemeente Waterland,