Het college trekt de vergunning in, indien de leidingexploitant
schriftelijk aan het college verklaart van de vergunning geen
gebruik meer te willen maken.
Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het
eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de leiding na
opzegging in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als
leidingexploitant, tenzij schriftelijk blijkt dat de leiding is
overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere
persoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als
leidingexploitant wordt beschouwd.
In afwijking van het tweede lid wordt in geval van een
persoonsgebonden vergunning als bedoeld in artikel 6, derde lid,
de vergunninghouder als leidingexploitant beschouwd tot het
moment dat hij - schriftelijk aan het college verklaart van de
vergunning geen gebruik meer te willen maken en de exploitatie
van de leiding staakt of - de leiding waar de vergunning
betrekking op heeft in eigendom overdraagt en hij daarvan
schriftelijk melding heeft gedaan bij het college, mits hij het
bewijs van de overdracht levert.