De cliënt ondervindt derhalve beperkingen in het huishouden; deze
zijn gerelateerd aan beperkingen op twee andere terreinen, te weten:
sociale redzaamheid en/of mobiliteit.
Uitgangspunt hierbij is dat de leefeenheid primair zelf de
verantwoordelijkheid draagt voor het bevorderen en in stand houden
van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt
gevoerd. Dat betekent dat van een leefeenheid verwacht wordt dat,
bij uitval van een van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt
naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die
leefeenheid. De aanspraak op de voorziening hulp bij het huishouden
bestaat slechts aanvullend op eigen mogelijkheden. Daarbij geldt dat
in ieder geval altijd beoordeeld wordt in hoeverre hulp
antirevaliderend kan werken, welke technische hulpmiddelen voor
oplossing van huishoudelijke problemen kunnen zorgen en welke hulp
in redelijkheid langdurig noodzakelijk is èn tevens de goedkoopst,
adequate is. Ook wordt beoordeeld of aanspraak bestaat op een
voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 Wmo en artikel 2
lid 2 onder i van de Verordening.
Deel › Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Eigen verantwoordelijkheid cliënt
Onderdeel van Beleidsregels hulp bij het huishouden en gebruikelijke zorg behorende bij de Voorzieningenverordening WMO 2010