Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren voor de verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget:
- de originele nota/factuur van de aangeschafte voorziening;
- het betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;
- een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.
Bij alle individuele voorzieningen (hulp bij het huishouden, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen) uit de verordening vindt de verantwoording plaats via een steekproef. Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders bovengenoemde stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Dat houdt in dat het college uit het bestand per jaar willekeurig een aantal klanten vraagt de hiervoor genoemde bewijsstukken te leveren. De klant dient vervolgens de administratie binnen vier weken aan het college te overleggen.
Het college van Burgemeester en wethouders kan de gegevens opvragen en controleren tot vijf jaar nadat het persoonsgebonden budget is besteed. Met andere woorden de klant dient de administratie minimaal vijf jaar te bewaren. Het niet kunnen overleggen van de administratie kan voor het college van Burgemeester en wethouders een grond tot terugvordering van het persoonsgebonden budget zijn.
Is het persoonsgebonden budget besteed conform het plan van eisen, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget niet conform de beschikking besteed, dan kan het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.7
Verantwoording van het persoonsgebonden budget
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2011