Bovenstaande eigen verantwoordelijk wordt ook vertaald in een aantal toekennings- en weigeringsgronden die zijn opgenomen in de verordening. De verordening vormt zo het raamwerk waarbinnen maatwerk geleverd kan worden. Verder zijn er een aantal aanvullende beperkingen opgenomen in de verordening betrekking hebben op wie er recht heeft op compensatie via de Wmo en de aanvraag. Ook worden een aantal beperkingen uit de wet zelf vermeld.
a. Langdurig noodzakelijk (art. 2 lid 1 aanhef en onder a)
De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft o.a. te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan
gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de
dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak.
Overigens valt de kortdurende huishoudelijke voorziening wel onder de Wmo. Dat betekent dat de gemeente ook verantwoordelijk is voor de kortdurende huishoudelijke voorziening, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname.
b. Goedkoopst-adequaat (artikel 2 lid 1 aanhef en onder b).
Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Adequaat houdt in dat de voorzieningen moeten voldoen aan dezelfde kwaliteit eisen zoals die in de Europese aanbestedingen zijn vastgelegd. Voldoen meerdere voorzieningen aan deze eisen, dan wordt uit die voorzieningen de goedkoopste gekozen. De kwaliteit is op deze wijze gewaarborgd.
De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met
zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen.
Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk
gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen.
c. In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2 lid 1, aanhef en onder c).
Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.
d. Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2 lid 2 aanhef en onder a),
Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien is voldaan is aan de volgende
voorwaarden:
- Het aan te schaffen object kan voor een niet-ondersteuningsbehoevende in een financieel
vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend;
- Het is niet speciaal voor de ondersteuningsbehoevende;
- Het is gewoon te koop;
- Het is niet duurder is dan soortgelijke producten.
Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt volgens de Centrale Raad van Beroep beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken gehandicapte, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet gehandicapt was, de beschikking (zou) kunnen hebben
In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt. Het gaat om een aanvrager waarvan het inkomen door aantoonbare kosten van de beperking onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.
e. De aanvrager is woonachtig binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2 lid 2 aanhef en onder b)
De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten” (art. 2, lid 1). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat het compensatiebeginsel van de gemeente alleen maar geldt ten aanzien van in de gemeente woonachtige aanvragers.
f. Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c)
wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers de compensatieplicht. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een beperking niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.
Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening.
g. Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder d) wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een
bouwkundige of woontechnische woonvoorziening zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer
vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft.
h. Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft en daarbij sprake is van schuld (artikel 2, lid 2 aanhef en onder e) zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.
Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden.
Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.
Als iemand een persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden.
i. Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f).
Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen
(zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook
een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door
deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.
h. Medewerking van anderen in de omgeving aan oplossingen (artikel 2 lid 2 onder g van de verordening)
Er bestaat geen aanspraak op een voorziening indien redelijkerwijs van anderen in de omgeving van de aanvrager (zoals huisgenoten en familieleden) kan worden verwacht dat zij meewerken aan het oplossen
van de zich voordoende problemen. Bij iedere aanvraag moet gekeken worden naar de mogelijkheden die binnen het gezin (en woonruimte) aanwezig zijn. Van huisgenoten mag verwacht worden dat zij ook een
aandeel leveren in het huishouden;
i. Tekortschietend besef in de verantwoordelijkheid (artikel 2 lid 2 onder h van de verordening)
Indien blijkt dat het aanvragen van een voorziening het gevolg is van een handelswijze die aangemerkt kan worden als een onvoldoende, tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, wordt geen voorziening toegekend. Dit alles ter voorkoming van misbruik en vanuit de gedachte dat men, ook indien er sprake is van beperkingen, een zekere eigen verantwoordelijkheid heeft bij de realisering van een normale
deelname aan het maatschappelijke leven.
Dit artikel ziet uitdrukkelijk niet op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid ten aanzien van het ontstaan van de beperking.
j. Noodzakelijke gegevens (artikel 31 lid 3 van de verordening)
De aanvrager verstrekt die gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt) bevragen en/of onderzoeken. Indien de noodzakelijk gegevens niet
worden verstrekt of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek bijvoorbeeld door de medisch adviseur wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld c.q. afgewezen omdat het recht op de voorziening niet kan worden vastgesteld.
k. Legitimatie (artikel 31 lid 4 van de verordening);
Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan het college het wenselijk vinden dat personen die een aanvraag indienen voor Wmo-voorzieningen zich legitimeren. Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van
de verblijfsrechtelijke status. De volgende documenten kan de gemeente voor de Wmo in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aanmerken:
Belanghebbenden met de Nederlandse nationaliteit:
- Paspoort;
- Europese identiteitskaart;
Belanghebbenden zonder de Nederlandse nationaliteit:
- Vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit zijn de (nieuwe) documenten die zijn
uitgegeven op grond van de Vreemdelingenwet 2000, welke op 1 april 2001 in werking is getreden;
- Verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
- Buitenlands paspoort (geeft geen recht op Wmo-voorziening);
- Vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers);
Een rijbewijs wordt niet als een geldig identiteitsbewijs worden aangemerkt, omdat het rijbewijs geen nationaliteit vermeldt.
In geen geldig legitimatiebewijs wordt overgelegd kan een aanvraag worden afgewezen omdat het recht op een voorziening niet kan worden vastgesteld.
l. Voorliggende voorzieningen (artikel 2 Wmo)
Artikel 2 Wmo bepaalt dat geen aanspraak op een Wmo-voorziening bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot de voorziening, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat De aanspraak op grond van een andere wettelijke bepaling heeft in dat geval dus voorrang op de Wmo.
De wetgever heeft in de Wmo niet gekozen voor een limitatieve opsomming van de wetten die voorgaan op de Wmo, omdat die van tijd tot tijd verschillen. De kans dat een dergelijke opsomming niet compleet is, is groot. Bovendien moet een dergelijke lijst bij wijziging van een wet steeds gewijzigd te worden.
In de onderstaande, niet-limitatieve opsomming, staan enkele wetten op grond waarvan een persoon wellicht aanspraak kan maken op een voorziening en die voorrang hebben op de Wmo:
- AWBZ;
- Zorgverzekeringswet;
- Wet op de Jeugdzorg;
- TOG 2000;
- Leerlingenvervoer;
- WIA.
De Wmo kan als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouwd ten aanzien van de Wet werk en bijstand (WWB). Concreet betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde voorziening aan te bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op basis van de WWB (TK 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 30). De WWB heeft dus geen voorrang op de Wmo.
m. Rechtmatig verblijf (artikel 8 lid 1 Wmo)
Artikel 8 lid 1 Wmo bepaalt dat een vreemdeling, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8 onder a t/m e en l Vreemdelingenwet 2000, in aanmerking kan komen voor het verlenen van een individuele voorziening. Daarbij gaat het om de volgende vreemdelingen:
- vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning (I1.2.3.2);
- vreemdelingen met een verblijfsvergunning op asielgronden;
- gemeenschapsonderdanen ;
- vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.
Vreemdelingen die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijven kunnen in beginsel geen aanspraak maken op individuele voorzieningen. Op grond van artikel 8 lid 2 Wmo kan daarop een uitzondering worden gemaakt bij Algemene Maatregel van Bestuur. Die AMvB is (nog) niet vastgesteld.
In een aantal situaties zal het college een Wmo-aanvraag van een vreemdeling moeten melden bij de IND.
Naast deze algemene beperkingen spelen ook per verstrekkingengebied bijzondere beperkingen. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken besproken.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2
Algemene toekennings- en weigeringsgronden
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010