Artikel 3 van de verordening bepaalt:
“Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. De bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget wordt niet geboden indien er een ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met het persoonsgebonden budget, of de voorzienbare duur van de noodzakelijkheid van de voorziening korter is dan de normale afschrijvingsduur van de geïndiceerde voorziening , dan wel sprake is van
bezwaren van overwegende aard.”
Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan.
Het gaat hier om uitzonderingen. Mede daarom is het niet mogelijk om een limitatieve opsomming van categorieën van personen te maken. U moet hier bij denken aan personen met een verslavingsproblematiek, personen me een psychiatrische aandoening en die als gevolg daarvan niet goed kunnen omgaan met hun financiën, personen die grote schulden hebben of een verstandelijke beperking hebben. Hebben deze personen echter een goede begeleiding die voor hen het beheer en
regelwerk doen, dan is voor deze groepen een persoonsgebonden budget beschikbaar.
Voor dat er een afwijzende beschikking wordt genomen wordt eerst een advies ingewonnen bij het CIZ.
Vanzelfsprekend is in het advies meegewogen wat de mate van de beperking is.
Is betrokkene het niet eens met het CIZ advies dan kan indien nodig en in overleg met betrokkene een second opinion aangevraagd worden om vast te stellen of een persoonsgebonden budget de voor de persoon geëigende voorziening is. Een dergelijke second opinion zal worden aangevraagd bij professionele en/of vrijwilligersorganisaties, die betrokkenheid hebben bij deze persoon en waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat zij een reëel inzicht hebben in de bekwaamheid van betrokkene tot het zelfstandig beheren van een persoonsgebonden budget. Afhankelijk van de situatie is het ook goed mogelijk dat familieleden en/of andere persoonlijke relaties van betrokkene hierover geraadpleegd worden.
Als uit het CIZ advies blijkt dat de voorziening niet nodig zal zijn gedurende de periode waarover de voorziening wordt afgeschreven, kan overwogen worden een persoonsgebonden budget te weigeren. Dit
zal zich met name voordoen bij een ernstig progressief ziektebeeld of een zeer korte levensverwachting.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Het persoonsgebonden budget
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010