Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:
deze in overwegende mate op het individu is gericht;
deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om diens belemmeringen op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen, op te heffen of aanzienlijk te verminderen;
deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als een adequate voorziening kan worden aangemerkt. Indien er de keuze is tussen meerdere adequate voorzieningen, zal die voorziening of een financiële tegemoetkoming worden verstrekt die niet duurder/hoger is dan noodzakelijk;
de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan tot de resterende technische levensduur van de woonruimte, het vervoermiddel of de rolstoel.
HOOFDSTUK 1 › Paragraaf 2
Artikel 1.2
Voorwaarden voor verstrekking
Onderdeel van Verordening voorzieningen gehandicapten 2006