Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 8

Subsidiabele kosten en subsidiebijdrage

Onderdeel van Subsidieverordening cultureel erfgoed 2008

1.. Berekening van de subsidie bijdrage vindt plaats op basis van de vastgestelde subsidiabele kosten. De subsidiebijdrage bedraagt 50 % van de vastgestelde subsidiabele kosten met een maximum van 2% van de laatst vastgestelde WOZ waarde van het in de aanvraag vermelde opstal. 2.. Voor zover de kosten van voorzieningen op grond van een verzekering worden gedekt of op andere wijze worden vergoed blijven die kosten voor het bepalen van de subsidiabele onderhoudskosten buiten beschouwing. 3.. De onder 1 genoemde bijdrage wordt ten hoogste éénmaal per twee jaar beschikbaar gesteld. 4.. De subsidie voor kerkelijke monumenten van de in een kalenderjaar gemaakte onderhoudskosten bedraagt 20 % van de door het rijk en/of provincie Zeeland subsidiabel verklaarde onderhoudskosten, met een maximum van € 2.269,00 per object. 5.. voor een molen als bedoeld in artikel 1, sub l, bestaat de subsidie 25 % van de subsidiabel verklaarde onderhoudskosten, met een maximum van € 1.702,00. De subsidie voor een molen als bedoeld in artikel 1, sub m, bedraagt dit de helft van dit bedrag. Verder bestaat de subsidie uit een jaarlijkse bijdrage in de exploitatielasten van maximaal € 2.000,00. Subsidiabel zijn de verzekeringskosten alsmede de onderhoudskosten voor zover die niet op grond van andere regelingen subsidiabel zijn. Ook het gedeelte van de onderhoudskosten, die resteren na aftrek van de subsidie, als bedoeld in de eerste volzin, komen voor dit onderdeel in aanmerking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel