Naar hoofdinhoud
Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Lingewaard 2013. Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van21 maart 2013. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, Th.G.L. Greep S.P.M. de Vreeze Algemene toelichting De maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ stelt regels voor het opleggen van een maatregel (een sanctie) aan een op grond van de WWB, IOAW en IOAZ uitkeringsontvanger. Een maatregel wordt opgelegd wanneer de uit de wet voortvloeiende verplichtingen – met uitzondering van de verplichting op grond van artikel 17 lid 1 WWB, artikel 13 lid 1 IOAW/IOAZ en artikel 30c tweede en derde lid Wet Suwi – niet, niet tijdig of in onvoldoende mate worden nagekomen, dan wel wanneer betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. De gemeente dient het maatregelenbeleid zelf vorm te geven en vast te leggen in een verordening (Artikel 18 WWB, artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW/IOAZ) Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet aanscherping handhaving en sanctionering SZW wetgeving van kracht. Met deze wet wordt de boete geherintroduceerd als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Daardoor valt de maatregel die hiervoor werd opgelegd vanuit de maatregelenverordening weg. In de maatregelverordening zijn met betrekking tot de WWB wijzigingen opgenomen die enerzijds verband houden met het wegvallen van de maatregel bij schending van de inlichtingenplicht en anderzijds verband houden met het wegvallen van rechten op passende en toereikende voorliggende voorzieningen (denk bijvoorbeeld aan de WW) zodra aldaar een bestuurlijke boete wordt opgelegd vanwege het herhaaldelijk schenden van de inlichtingenplicht. De wijzigingen met betrekking tot de IOAW en IOAZ houden enkel en alleen verband met het wegvallen van de mogelijkheid om een maatregel op te leggen bij schending van de inlichtingenplicht. Het maatregelbeleid van de gemeente Lingewaard is gericht op zowel het voorkomen van het opleggen van een maatregel, door goede voorlichting en dienstverlening aan de cliënt, als op het direct sanctioneren van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van een bijstandcliënt (WWB). Voor de IOAW/IOAZ geldt dit onderdeel niet waar het onverantwoord interen van vermogen betreft, omdat er voor deze regelingen andere vermogenscriteria gelden. Wanneer het college tot het oordeel komt dat het besef van verantwoordelijkheid van een cliënt tekortschiet, of dat hij aan de bijstand verbonden verplichtingen (met uitzondering van de inlichtingenplicht) niet of in onvoldoende mate nakomt, moet het college een maatregel opleggen door de uitkering te verlagen. Er is geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging. Het college legt een maatregel op door een verlaging van de uitkering met een vast bedrag. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de ernst van de verwijtbare gedraging, deels uitgedrukt in categorieën. Door het vaststellen van een vast bedrag wordt een heldere relatie gelegd tussen de verwijtbare gedraging en de sanctie. Ook op de periode bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud aan jongeren van 18 tot 21 jaar conform artikel 12 WWB is het gemeentelijk maatregelbeleid van toepassing. Deze groep ontvangt een lage algemene bijstandsuitkering die op individuele gronden kan worden aangevuld met bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Een maatregel kan ook op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 lid 1 WWB worden toegepast wanneer de aanvraag voor bijzondere bijstand het gevolg is van ongenoegzaam betoond besef van verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld wanneer betrokkene zich niet adequaat verzekert tegen medische kosten en vervolgens een beroep doet op bijzondere bijstand voor die kosten. Ook wanneer iemand een woonkostentoeslag aanvraag omdat hij willens en wetens een niet passende woning heeft aanvaard met een te hoge huur waarvoor geen huurtoeslag kan worden ontvangen, kan de bijzondere bijstand worden afgestemd. De maatregel kan in dergelijke gevallen nooit hoger zijn dan het bedrag waarvoor bijzondere bijstand zou zijn toegekend zonder toepassing van die maatregelen. Anders dan bij de WWB kan in de IOAW/IOAZ bij het door eigen toedoen niet verkrijgen, niet behouden of weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid een maatregel worden opgelegd in de vorm van het voor onbepaalde tijd weigeren van de (gedeeltelijke) uitkering. Indien een cliënt zich binnen één jaar na een besluit tot het opleggen van een maatregel als gevolg van een eerste verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of van een hogere categorie, dan wordt de maatregel verdubbeld. Ook als binnen een jaar na het besluit tot weigering van één maand sprake is van herhaling van een gedraging die eerder heeft geleid tot één maand weigering, dan wordt deze periode verdubbeld. Er is bewust gekozen voor het afbakenen van een periode van 12 maanden met als ijkpunt het besluit tot het opleggen van een maatregel en niet de eerste verwijtbare gedraging, omdat in veel gevallen niet te bepalen valt wanneer een verwijtbaar gedraging heeft plaatsgevonden. Zowel voor de cliënt als voor de uitvoerenden is dit duidelijker en beter hanteerbaar. Overigens geldt de recidiveclausule niet voor een maatregel die wordt opgelegd op bijzondere bijstand o.g.v. artikel 35 lid 1 WWB. Aan het besluit tot het opleggen van een maatregel wordt gelijkgesteld het geven van een waarschuwing. Als een cliënt regelmatig zijn verplichtingen niet nakomt, kan niet worden volstaan met een standaardmaatregel, maar moet maatwerk worden toegepast. De cliënt kan eventueel het recht op bijstand worden geweigerd. Bij de vaststelling van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van de situatie, de mate van verwijtbarheid en bijzondere omstandigheden. Als de uitkering is beëindigd kan geen maatregel worden opgelegd. In dat geval herziet het college het besluit tot verstrekking van de bijstand. De maatregel wordt met terugwerkende kracht opgelegd en het teveel uitgekeerde bedrag wordt teruggevorderd. Per 1 januari 2012 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) opgegaan in de WWB. Ook is voor jongeren per die datum een zoek termijn van vier weken ingesteld vanaf de datum dat ze zich melden bij het UWV WERK bedrijf voor een uitkering. In die zoektermijn moeten zij voldoen aan de verplichting om aantoonbaar intensief werk te zoeken en (vanaf) 1 juli 2012 verplicht) hun scholingsmogelijkheden te onderzoeken. Na de zoektermijn van vier weken mogen jongeren een aanvraag voor bijstand doen. Als blijkt dat de jongere zich onvoldoende heeft ingespannen tijdens de zoektermijn, wordt een maatregel opgelegd. Als de jongere zich helemaal niet heeft ingespannen, bestaat geen recht op bijstand. Het verlagen van de bijstand Het maatregelen beleid van de gemeente Lingewaard is gericht op zowel het voorkomen van het opleggen van een maatregel door goede voorlichting en dienstverlening aan de cliënt, als op het direct sanctioneren van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van een cliënt. Op grond van artikel 18, tweede lid WWB kan zowel de bijstand (dat wil zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de langdurigheidstoeslag worden verlaagd. Wanneer het college tot het oordeel komt dat het besef van verantwoordelijkheid van een cliënt tekortschiet, zoals het niet of in onvoldoende mate nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen, moet het college een maatregel opleggen door de uitkering te verlagen. Er is geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging. Een maatregel legt het college op door een verlaging van de uitkering met een vast bedrag. De hoogte van het bedrag is afhankelijk van de categorie waartoe de verwijtbare gedraging behoort. Door het vaststellen van een vast bedrag wordt een heldere relatie gelegd tussen de verwijtbare gedraging en de sanctie. In geval van een gedraging die heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, waaronder fraude, wordt de sanctie vastgesteld op een percentage van het benadelingsbedrag. Bij fraude kan aangifte worden gedaan bij het Openbare Ministerie. Indien een cliënt zich binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of van een hogere categorie, dan wordt de maatregel verdubbeld. Als een cliënt regelmatig zijn verplichtingen niet nakomt kan niet worden volstaan met een standaardmaatregel, maar wordt maatwerk toegepast. De cliënt kan eventueel worden uitgesloten van het recht op bijstand. Bij de vaststelling van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van de situatie, de mate van verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden. Als de uitkering is beëindigd kan geen maatregel worden opgelegd. In dat geval herziet het college het besluit tot verstrekking van de bijstand. De maatregel wordt met terugwerkende kracht opgelegd en het teveel uitgekeerde bedrag wordt teruggevorderd. Is het uitkeringsbedrag onvoldoende om de maatregel te effectueren, dan wordt de maatregel op het eventueel toekomstig recht op bijstand opgelegd. De relatie met de re-integratieverordening De gemeente stelt ook een re-integratieverordening vast. In deze verordening wordt vastgelegd hoe de gemeente de cliënten kan ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies, kinderopvang en stages. In beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. Gemeenten kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de specificaties in de beschikking vastleggen. In de re-integratie en participatie-verordening 2008 wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de gemeente kan inzetten. Concrete voorzieningen zijn vastgelegd in beleidsregels. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelverordening. Artikelsgewijze toelichting

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel