Lid 1
De WWB en de IOAW/IOAZ verbindt aan het recht op bijstand de volgende verplichtingen:
Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB)
De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37 IOAW/IOAZ). Deze plicht houdt in:
Het naar vermogen algemeen geaccepteerd arbeid verkrijgen en behouden;
Het gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling;
Naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Deze verplichtingen worden voor iedere cliënt nader uitgewerkt in specifieke verplichtingen, die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de cliënt. De verordening re-integratie en participatie 2008 van de gemeente Lingewaard vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van bijstand worden neergelegd.
3.De medewerkingsverplichting (artikel 17, tweede lid WWB en artikel 13, tweede lid IOAW/IOAZ) is de verplichting van de cliënt om desgevraagd het college medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan. Artikel 18, tweede lid WWB en artikel 20 tweede lid IOAW/IOAZ, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: “het zich jegens het college (en jegens ambtenaren die namens het college belast zijn met de uitvoering) zeer ernstig misdragen”(agressie).
Lid 2
In de maatregel verordening zijn voor categorieën van verwijtbare gedragingen standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vast bedrag, een 100%- verlaging of een percentage van het benadelings-bedrag. In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat het college een op te leggen maatregel afstemt op de individuele omstandigheden van de cliënt en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel moet nagaan of, gelet op de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de cliënt, afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit houdt in dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de cliënt.
Voor wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel kan aan de orde zijn bij bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de cliënt. Bij een opeenstapeling van maatregelen wordt beoordeeld of de zwaarte van het geheel van maatregelen in verhouding staat tot de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
Lid 3
Als uitgangspunt geldt dat een maatregel wordt opgelegd op de bijstandsuitkering, dat wil zeggen op de norm plus de toeslag c.q. op de uitkeringsnorm, dat wil zeggen netto grondslag als bedoel in artikel 5 vierde lid IOAW/IOAZ.
Lid 4 onderdeel a
De 18 tot 21 jarigen ontvangen een lage jongerennorm in verband met de onderhoudsplicht van de ouders. Zijn de middelen van de ouders niet toereikend of kan de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde maken, dan kan de norm worden aangevuld met bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Op deze aanvulling kan een maatregel worden opgelegd.
Lid 4 onderdeel b
De WWB biedt geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een maatregel worden toegepast. De maatregel kan maximaal de hoogte hebben van het bedrag waarvoor bijzondere bijstand zou zijn toegekend zonder toepassing van de maatregel, zodat per saldo voor de betreffende aanvraag geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.
Lid 5
Het opleggen van een maatregel door het verlagen van de bijstand of uitkeringsnorm is een besluit dat aan de cliënt wordt meegedeeld. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering wordt opgelegd, neemt het college een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB. Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan neemt het college een besluit tot herziening van de bijstand c.q. uitkering. Tegen beide besluiten kan door de cliënt bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit lid wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeit rechtstreeks voort uit het motiveringsbeginsel op grond van de Awb.
Lid 6
De mogelijkheid bestaat om een maatregel op te leggen over een langere periode. Bij toepassing van deze mogelijkheid moet op grond van artikel 18 lid 3 WWB een dergelijk maatregel ten hoogste na drie maanden heroverwogen worden. Bij de formulering van lid 6 is gekozen om deze maximale termijn van drie maanden te hanteren en geen kortere periode.