Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2.

Artikel 3.

Hoogte van de maatregel

Onderdeel van Maatregelenverordening WWB, Bbz 2004, Ioaw, Ioaz gemeente Nuenen c.a. 2013

Wanneer het college tot het oordeel komt dat een belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, dan wordt een maatregel opgelegd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n maatregel. De hoofdregel is dat het college een maatregel dient af te stemmen op: 1) de ernst van de gedraging; 2) mate van verwijtbaarheid; 3) persoonlijke omstandigheden. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke verlaging van de bijstand of uitkering zal moeten nagaan op welke wijze deze afgestemd dient te worden. Een afwijking van de richtlijn kan zowel een verzwaring als een matiging van de verlaging betekenen. De klant dient, alvorens een maatregel opgelegd wordt, altijd in de gelegenheid gesteld te worden zijn zienswijze te geven.

Rechtspraak bij dit artikel