Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Toeslagen

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB 2012

1.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 20% van het minimumloon voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2.. De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 10% van het minimumloon voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. 3.. In afwijking van het voorgaande wordt de toeslag voor een alleenstaande van 21 jaar en 22 jaar op grond van artikel 29 van de wet afwijkend vastgesteld: voor een alleenstaande van 21 jaar bedraagt de toeslag 10% van het minimumloon en voor een alleenstaande van 22 jaar 15% van het minimumloon, als in diens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; voor een alleenstaande van 21 jaar én 22 jaar bedraagt de toeslag 5% van het minimumloon, als in diens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. 4.. Voor de toepassing van dit artikel wordt een persoon niet in aanmerking genomen als een ander diein dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, als het een inwonend studerend kind betreftdat aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 en een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste het bedrag genoemd in artikel 4, lid 2, aanhef van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel