Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te leggen in of
aan een rietkraag of aan een krachtens artikel 5:34 als zodanig aangewezen
oever.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, is het de rechthebbende op een
vaartuig verboden daarmee langer dan gedurende ten hoogste drie
achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te
leggen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende drie
achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben
gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door een met de handhaving van de
bepalingen in deze afdeling belaste ambtenaar wordt aangetroffen op enig
tijdstip van de eerste van drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na
die drie dagen.
De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn
gebleven indien het vaartuig binnen een straal van 500 meter – hemelsbreed
gemeten – gerekend vanaf de in het tweede lid bedoelde aanlegplaats wordt
aangetroffen.
Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig vaartuig binnen
vijf dagen nadat het is verplaatst op de in het tweede lid bedoelde plaats
opnieuw aan te leggen.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen,
voor zover het betreft een krachtens artikel 5:34 als zodanig aangewezen
oever.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 6
Artikel 5:31
Aanleggen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Opsterland 2013