Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat
besluiten, waaronder ook beslissingen op verzoeken om
omgevingsvergunning vallen, op zorgvuldige wijze tot stand moeten komen.
Het gaat hier om een bevoegdheid, geen plicht, hetgeen betekent dat er
ook een ruime belangenafweging zal moeten plaatsvinden
(motiveringsplicht). Artikel 4:82 Awb regelt dat wij beleidsregels
kunnen vaststellen voor de uitoefening van de ons toekomende
bevoegdheden. Via onderhavige beleidsregels geven wij aan hoe wij in
zijn algemeenheid met verzoeken om omgevingsvergunning ex artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 2° Wabo wensen om te gaan.
Het bij een omgevingsvergunning afwijken van een bestemmingsplan is geen
‘verplichting’, maar een ‘bevoegdheid’ met een afweging per individueel
geval. Bepaalde aanvragen kunnen weliswaar kwantitatief passen binnen de
beleidsregels, maar vanuit het oogpunt van stedenbouw en/of woonmilieu
in relatie tot de omgeving ongewenst zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor
gevallen waarin het afwijken leidt tot een verdichting van de achtertuin
in relatie tot een stedenbouwkundig gewenste openheid, al dan niet mede
in relatie tot de omgeving. Maar ook bijvoorbeeld voor woongebieden
waarvoor in het bestemmingsplan een afwijkende regeling is opgenomen en
de beperking een beleidsmatige keuze is. Te denken valt hierbij aan o.a.
bungalows, bejaardenwoningen, recreatiewoningen of woongebouwen waar een
specifiek stedenbouwkundig concept aan ten grondslag heeft gelegen.
Binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht kan het afwijken tot
ongewenste situaties leiden die de ruimtelijke en/of cultuurhistorische
kwaliteit aantasten. In dergelijke gevallen kunnen wij gemotiveerd het
verzoek om omgevingsvergunning afwijzen.
1. INLEIDING
Artikel Afwijkingsbeleid
Artikel Afwijkingsbeleid
Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht