Naar hoofdinhoud

3. BELEIDSREGELS

Artikel Bijbehorend bouwwerk in de bebouwde kom

Artikel Bijbehorend bouwwerk in de bebouwde kom

Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Met inachtneming van de volgende bepalingen: a. vóór de voorgevelrooilijn alsmede in zijtuinen, grenzend aan de openbare weg of openbaar groen (de zogenaamde hoeksituaties), is enkel bebouwing toegestaan in de vorm van een erker en mogen geen bijgebouwen worden opgericht, met dien verstande dat; de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 meter, gemeten vanuit de oorspronkelijke gevel van het hoofdgebouw; de hoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 meter; de breedte niet meer bedraagt dan 60% van de voorgevel van het hoofdgebouw; de afstand van de erker tot de openbare weg en/of het openbaar groen minimaal 1,5 m moet bedragen. b. ten aanzien van het bouwen achter de voorgevelrooilijn (zijgevel of achtergevel) mogen aan- of uitbouwen en bijgebouwen worden opgericht met dien verstande dat: de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter; de breedte van aan- of uitbouw en aangebouwd bijgebouw aan de zijgevel van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 60% van de oorspronkelijke gevelbreedte van de voorgevel van het hoofdgebouw heeft, met een absoluut maximum van 5 meter; de voorgevel tenminste 3 meter achter de voorgevelrooilijn ligt. c. onverminderd het in het onder a en b gestelde, geldt voor bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen met een woonbestemming in de bebouwde kom voorts dat: de totale bebouwde oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, de in het bestemmingsplan toegestane bebouwing inbegrepen, per hoofdgebouw maximaal 120 m² mag bedragen; het bebouwingspercentage per bouwperceel van het hoofdgebouw, afhankelijk van de bouwwijze, niet meer mag bedragen dan: 1e. bij vrijstaande woningen: 30%; 2e. bij twee-aaneen woningen: 40%; 3e. bij aaneengebouwde woningen: 50%; 4e. bij gestapelde woningen: bij de ruimtelijk-stedenbouwkundige beoordeling nader te bepalen, afhankelijk van de specifieke situatie. d. in afwijking van het onder a en b gestelde, geldt voor bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen zonder een woonbestemming in de bebouwde kom voorts dat, indien het geldende bestemmingsplan een bijbehorend bouwwerk niet toelaat, danwel in een geringere omvang of andere positie toelaat, maar het voorgaande bestemmingsplan biedt hiervoor ruimere mogelijkheden, dan kan in afwijking van het geldende bestemmingsplan medewerking worden verleend mits het bijbehorend bouwwerk past in het voorgaande bestemmingsplan.

Rechtspraak bij dit artikel