Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 9

- Aflossingsregeling bij beëindigde uitkering

Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013

1. Debiteur doet betalingsvoorstel Kan de debiteur de vordering niet in één keer terugbetalen, dan kan hij een voorstel tot terugbetaling doen. Met een betalingsvoorstel van de debiteur kan worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 3 jaar in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50,-- per maand bedraagt. Daarbij wordt marginaal getoetst of het voorstel redelijk is, gelet op de hoogte van het inkomen en de hoogte van de vordering. 2. College stelt omvang afloscapaciteit vast Indien de debiteur, bijvoorbeeld gelet op de hoogte van de vordering, geen voorstel doet waarmee de vordering binnen 3 jaar is afgelost, stelt het college de omvang van de afloscapaciteit vast aan de hand van de financiële situatie van de debiteur. 3.Omvang afloscapaciteit bij niet-verwijtbare vordering Voor de debiteur wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op 10% van de uitkeringsnorm (inclusief vakantietoeslag) die van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 50% van de draagkracht. Omvang afloscapaciteit bij fraudevordering en boete Voor de debiteur wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op 10% van de uitkeringsnorm (inclusief vakantietoeslag) die van toepassing zou zijn als een uitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 75% van de draagkracht. Eventueel relevant vermogen Bij het vaststellen van de betalingsverplichting van een fraudevordering en een boete moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering. 5.Beslagvrije voet. Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 6. Beslagvrije voet vervalt Wanneer de debiteur nalaat inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet. Dit is bepaald in artikel 60 lid 6 van de WWB en artikel 28 lid 6 van de IOAW en IOAZ.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel