Statushouders zijn vreemdelingen die een verblijfsvergunning hebben en die gelijkgesteld zijn aan een Nederlander conform artikel 11 lid 2 Wet werk en bijstand. In de praktijk betreft het vooral voormalige asielzoekers en de groep die onder het generaal pardon valt.
Vanaf het moment dat zij een verblijfsvergunning hebben kunnen zij een aanvraag indienen overeenkomstig artikel 44 WWB. Uit jurisprudentie is gebleken dat de periode vanaf het moment dat men in Nederland is, dat is vanaf het moment dat men in een AZC verbleven heeft, meegeteld mag worden voor de referteperiode ook al had men nog geen verblijfsvergunning. De criteria waarop getoetst moest worden, was uitsluitend het hebben van een minimum inkomen, geen vermogen en geen substantiële mogelijkheden om met arbeid het inkomen te verbeteren. Het uitgangspunt voor het onderzoek van de referteperiode moet zijn het moment waarop men aantoonbaar in Nederland verblijft.
Voor statushouders die gedurende de hele referteperiode in een AZC verbleven hebben is dit relatief eenvoudig vast te stellen. Voor de groep die onder het generaal pardon valt en waarvan sommigen illegaal in Nederland hebben verbleven ligt dit moeilijker. Mogelijk hebben zij door arbeid in hun onderhoud kunnen voorzien. Als zij niet kunnen aantonen waarvan zij in de referteperiode geleefd hebben, kan het recht op langdurigheidtoeslag niet vastgesteld worden. Voor die personen moet dan worden uitgegaan van het moment waarop de gegevens bekend zijn.