Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie
voor:
het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
uitzetten van overtollige gelden om de MPB binnen de door de raad vastgestelde kaders uit te
voeren;
het beheersen van de risico’s verbonden aan de financieringsfunctie
zoals renterisico’s, koersrisico’s en kredietrisico’s;
het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van een
voldoende rendement op uitzettingen;
het beperken van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij
het beheren van de geldstromen en financiële posities.
Het college hanteert bij het uitvoeren van de
financieringsfunctie de volgende richtlijnen:
het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt binnen de
bepalingen van de Wet FIDO uitsluitend bij financiële instellingen met een AAA rating (minste
risico) afgegeven door tenminste één gezaghebbende rating agency (gespecialiseerd
bureau), de Nederlandse Staat (schatkistbankieren) of bij instellingen voor wiens
waardepapieren een minimale solvabiliteitseis geldt;
overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen
vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het eind van de
looptijd in tact is;
rente instrumenten worden uitsluitend gebruikt voor het beperken
van financiële risico’s;
voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer
dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven gevraagd;
overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van
middelen of hetverlenen van garanties luiden in euro.
Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het
aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college waar
mogelijk zekerheden. Het college motiveert in zijn besluit het openbaar
belang van dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van
garanties en financiële participaties. In het door het college vast te
stellen Treasurystatuut wordt dit onderdeel nader uitgewerkt.