Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4. › Paragraaf 2.

Artikel 5.

Begrenzing recht op individuele voorzieningen

Onderdeel van WMO-verordening Zoetermeer 2013

Lid 1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is, tenzij kortdurende hulp bij het huishouden kan leiden tot het te bereiken resultaat; de te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken is; de te verstrekken voorziening in overwegende mate op het individu van de aanvrager is gericht; niet op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat. Lid 2. Geen voorziening wordt toegekend: indien de voorziening algemeen gebruikelijk is voor een persoon als de aanvrager; indien de belanghebbende niet zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Zoetermeer en niet in de Gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven of zal staan; voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt, tenzij de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf kan worden vastgesteld; voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij belanghebbende het college geheel tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; als de aanvrager zelf, al dan niet met hulp van anderen, in staat is zijn belemmeringen voldoende te compenseren.

Rechtspraak bij dit artikel