Blijkens uitspraken van de Afdeling moet bij het onderzoek, waarbij sprake is van een bestaande fruitaanplant, onder meer rekening gehouden worden met:
welke gewasbeschermingsmiddelen worden aangewend;
welke effecten gaan uit van de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen;
de overheersende windrichting;
gebruikte spuittechniek.
Zou men een dergelijk onderzoek moeten uitbesteden aan een extern bureau dan zou de initiatiefnemer voor een klein plan met onevenredig hoge kosten geconfronteerd worden. Men dient zich dan ook af te vragen in hoeverre een soort leidraad opgesteld kan worden, waarin wordt aangegeven in hoeverre op basis van bovenstaande criteria afgeweken kan worden de algemeen gehanteerde afstand van 50 m. Kan daarbij ook gebruik gemaakt worden van bestaande onderzoeken? De Universiteit Wageningen heeft een op april 2012 gedateerd rapport opgesteld, waarin de resultaten zijn weergegeven van een onderzoek naar driftblootstelling van recreatieterrein Rutjensland door boomgaardbespuitingen. Daarin zijn een aantal opties bekeken met betrekking tot de mogelijkheden om van de 50 m af te wijken. Afhankelijk van de toegepaste spuittechniek of de vraag of een afschermende (groenblijvende) haag aanwezig is, kan de afstand in principe aanzienlijk teruggebracht kunnen worden.
Eind 2012 werd van gemeentewege aan de heer van de Zande, verbonden aan de Universiteit Wageningen, opdracht verstrekt om een rapportage op te stellen, waarin wordt beschreven op welke wijze afstanden optimaal teruggebracht kunnen worden.
In juni 2013 werd de definitieve versie van de rapportage ontvangen. In het rapport wordt aangegeven dat er diverse wijzen zijn, waarop personen in aanraking kunnen komen met chemische bestrijdingsmiddelen via drift. Genoemd worden huidblootstelling (dermaal), inhalatieblootstelling en indirect contact. De dermale blootstelling blijkt voor de in acht te nemen afstanden maatstaf gevend te zijn.
In het rapport wordt ingegaan op afstanden in relatie tot spuitsystemen (conventioneel/dwarsstroom), spuitdoppen (conventioneel/driftarm) het aanbrengen van windhagen en bepalende chemische bestrijdingsmiddelen.
Uit het rapport kunnen in relatie met ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden nabij bestaande fruitaanplanten danwel locaties waar op basis van bestemmingsplan fruitaanplant mogelijk is, bouwstoffen gegenereerd worden die bruikbaar zijn om gemotiveerd af te wijken van de algemeen gehanteerde afstand van 50 m, die in principe in acht genomen dient te worden. Bij een verkleining dient rekening gehouden te worden met een handhaafbare situatie. Zo is de toepassing van bepaalde spuittechnieken of spuitdoppen nauwelijks handhaafbaar. Een bladhoudende windhaag (bijv conifeer) houdt uiteraard meer drift tegen dan een windhaag, die in de winter kaal is (bijv. elzen). In de tijd van het jaar zal er sprake zijn van situaties dat er in de fruitaanplant chemische bestrijdingsmiddelen toegepast dienen te worden terwijl een aanwezige windhaag nog geen bladeren bevat. Bij de toepassing van chemische bestrijdingmiddelen kunnen chemische bestrijdingsmiddelen worden toegepast die sterk en minder sterk toxisch zijn voormens en dier. In relatie met handhaafbaarheid betekent zulks dat uitgegaan dient te worden van een worst case-scenario.
1.Middel
Voor de bepaling van het toxisch karakter van het toe te passen middel handelt het op basis van de huidige inzichten om captan. Nieuwe ontwikkelingen in de middelen volgen elkaar echter snel op.
2.Spuitsysteem
Voor de bepaling van het spuitsysteem wordt uitgegaan van een conventioneel systeem met conventionele doppen.
3.Afscherming
Er wordt in eerste instantie uitgegaan van een kale windhaag (niet bladhoudend) omdat deze uit landschappelijk oogpunt de voorkeur verdient boven een bladhoudende windhaag omdat deze veelal bestaat uit coniferen.
Rekening houdend met bovenstaande benaderingen kan op basis van de rapportage van de heer v.d. Zande afgeweken worden van de afstand van 50 m.
Op basis van de rapportage is het mogelijk om zonder het aanbrengen van afschermende voorzieningen de afstand terug te brengen tot 40 m buitenste bomenrij zonder dat daarbij sprake is van een overschrijding van de dermale blootstellingsrisico’s.
Bij realisering van een windhaag of soortgelijke voorziening, die in de winter kaal is, met een hoogte van tenminste 3 m, in de perceelsgrens kan de afstand teruggebracht worden tot 25 meter vanuit de perceelsgrens.
Bij realisering van een windhaag of soortgelijke voorziening, die ook in de winter bladhoudend is, met een hoogte van tenminste 3 m, in de perceelsgrens, kan de afstand teruggebracht worden tot 20 meter vanuit de perceelsgrens.
Indien er sprake is van een dubbele windhaag, met een hoogte van tenminste 3 m, op een afstand van 4 meter van elkaar, kan vanaf de buitenste windhaag een afstand van 10 m aangehouden worden.