Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Beheerverordening gemeentelijke begraafplaats Alblasserdam

Het college stelt de indeling van de begraafplaats en de inrichting van de grafvelden vast. De begraafplaats wordt ingedeeld in vakken en de vakken in rijen en graven; de vakken worden aangeduid met letters en de rijen en graven met cijfers. Graven en urnengraven worden aansluitend op de reeds uitgegeven graven en urnengraven uitgegeven; urnennissen worden in overleg met de aanvrager uitgegeven. Indien dit naar het oordeel van het college gewenst of niet bezwaarlijk is, kunnen ook op andere plaatsen, als bedoeld in lid 3, particuliere/eigen graven of urnenplaatsen worden uitgegeven. Op de begraafplaats van Alblasserdam worden de volgende graven onderscheiden: algemene graven; kindergraven; particuliere/eigen graven particuliere/eigen moslimgraven particuliere/eigen urnengraven algemene urnengraven algemene urnennissen in de urnenmuur Uitvoering en afmetingen van de graven: de graven zullen niet dieper dan tot op het waterpeil worden gegraven; afhankelijk van de terreinhoogte en de bodemgesteldheid, zal met inachtneming van het daaromtrent in de wet bepaalde, maximaal in drie lagen boven elkaar worden begraven; de graven hebben de volgende afmetingen: algemene en eigen graven 2.00 m in de lengte en 0.90 m in de breedte; algemene en eigen urnengraven 0.55 m in de lengte en 0.35 m in de breedte; bij kindergraven, bestemd voor lijken van personen beneden 12 jaar, kan van de in het vorig lid bedoelde maten worden afgeweken en wordt de vereiste grafruimte naar omstandigheden bepaald; afwijkende grafmaten dienen bij aanvraag van de begrafenis te worden opgegeven bij de beheerder.

Rechtspraak bij dit artikel