Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagin­gen Wet werk en bijstand 2004

1.. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleen­staande of de alleen­staande ouder met zijn ten laste komende kinderen hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bij­standsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag wordt voor de alleen­staande en de alleenstaande ouder, met zijn ten laste komende kinderen, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximu­mbedrag, wanneer in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.. De toeslag bedraagt voor de alleen­staande en de alleenstaande ouder, met zijn ten laste komende kinderen, heeft 10% van het netto mini­mum­loon, wanneer in de woning ook een ander zijn woonverblijf heeft. 4.. De algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te kunnen worden gedeeld met een ander, die in de woning zijn hoofdver­blijf heeft, indien door de ander kan worden beschikt over een inkomen dat gelijk is aan of hoger dan de vergoeding voor het levensonderhoud voor de stude­rende thuiswonende op grond van de Wet op de studiefinan­cie­ring, vermeerderd met 10% van het netto minimumloon. 5.. De toeslag wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde en vierde van dit artikel, eveneens bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag, ten aanzien van: de alleenstaande en de alleenstaande ouder die hulpbehoe­vende is; de alleenstaande en de alleenstaande ouder, die uitsluitend tezamen met één of meer hulpbehoevende(n) in de woning zijn hoofdverblijf heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel